De psychische krochten van de naoorlogse Europeaan

Nederlanders zijn een gezegend volk. Net als de meeste andere (West-)Europeanen hebben ze nooit in hun leven van dichtbij een oorlog meegemaakt. Alle boomers en de generaties die na hen zijn geboren, kennen niet anders dan een situatie van eeuwige pais en vree.
Eeuwig? Dat mochten we willen, maar de werkelijkheid van vandaag de dag is anders. Sinds de Russische inval in Oekraïne, ruim vier jaar geleden, beseffen we dat oorlog dichterbij kan zijn dan we voor mogelijk hielden.

Caroline de Gruyter, journalist bij NRC, gaat in haar nieuwste boek in de op vraag wat die situatie van ‘eeuwige vrede’ in de loop van de afgelopen acht decennia heeft gedaan met de psyche van Nederlanders.

Dit boek is een verkenning van de doorwerking die acht decennia zonder oorlog hebben op de huidige tijd, een tijd waarin mercantilistische grootmachten tegen elkaar opbeuken in hun jacht op grondgebied, energie, grondstoffen en data – een tijd waarin de Europese veiligheid op alle fronten wordt bedreigd.

Die laatste zin geeft al aan dat de ivoren toren van vrede waarin we ons lang onkwetsbaar achtten, momenteel van alle kanten wordt belaagd. De vraag is wel in hoeverre onze geestesgesteldheid nog is opgewassen tegen de onzekerheden van een oorlog. ‘Dit boek is vooral een verkenning van een aantal van de belangrijkste issues van deze tijd. Een zoektocht door de psychische krochten van de naoorlogse Europeaan.’

Als verslaggever schreef De Gruyter over brandhaarden als voormalig Joegoslavië, Israël en Gaza. Daarnaast kan ze putten uit haar ervaringen als correspondent in internationale knooppunten als Brussel, Wenen en Genève.

Om aan te geven hoe naïef wij Nederlanders zijn als het erom gaat oorlog en gevaar te herkennen, beschrijft De Gruyter haar ervaring met de eerste landmijn die ze tegenkwam op een weg in Slovenië, tijdens de tiendaagse oorlog in dat land begin jaren negentig; ze vroeg zich verbaasd af waarom de taxichauffeur opeens stopte.

Op de een of andere manier staat mijn naïviteit op die Sloveense weg symbool voor het onvermogen van naoorlogse generaties Europeanen om te begrijpen wat oorlog is. Preciezer nog: het onvermogen om oorlog zelfs maar te herkénnen.

Tekenend voor die typisch Nederlandse naïviteit om oorlog te herkennen, is de bijnaam die Dutchbat had in ex-Joegoslavië, waar onze troepen deel uitmaakten van de VN-vredesmacht Unprofor. ‘De Britten en Fransen worden in Bosnië ‘Gunprofor’ genoemd, de Nigerianen (die weleens slapend langs de weg werden aangetroffen) ‘Sunprofor’, en de Nederlanders ‘Funprofor’.’ Dat de inzet in Bosnië toch beslist geen kinderspel was, heeft Nederland in Srebrenica ondervonden.

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben we in Europa geleerd om geschillen op te lossen door (eindeloos) te praten, in Brusselse vergadercircuits die zich aan het oog van de meeste Europeanen onttrekken:

Dát zijn onze oorlogen geworden: oorlogen om visquota, om chemische richtlijnen. Er staan miljarden op het spel, en vaak ook werkgelegenheid, maar goddank geen mensenlevens meer. Onze wapens zijn diplomatiek, monetair en juridisch van aard.

Dat heeft een keerzijde: ‘Wij Europeanen zijn zo goed geworden in het voorkomen van oorlog tussen EU-lidstaten dat we vergeten zijn onszelf één belangrijke vraag te stellen: wat als iemand anders óns bedreigt of de oorlog verklaart? Dat is de situatie waarin we ons nu bevinden.’ Bovendien merken we onder het presidentschap van Donald Trump dat de beschermende schil waarmee de Verenigde Staten ons al die jaren omhulden, laag na laag wordt afgepeld.

Een wereld waarin de Amerikaanse president ons de rug toekeert terwijl de Russische beer dagelijks laat zien dat hij meer doet dan alleen grommen: dat is de situatie waarin Nederland en Europa zich moeten zien te herpakken. Het vinden van antwoorden op die nieuwe uitdagingen is nog niet zo eenvoudig, zo ondervinden we vrijwel dagelijks.

Hoe vervelend ook, we zullen moeten leven met het besef dat oorlog nog altijd een realiteit is, ook al hebben we meer dan tachtig jaar geleefd in de veronderstelling dat we die verschrikkingen achter ons getalen hebben. In de kern komt het hierop neer, zegt de Franse historicus Stéphane Audoin-Rouzeau, een van de vele deskundigen die De Gruyter in haar boek aan het woord laat: ‘Door oorlog te verbannen hebben we onszelf verblind en verzwakt. Oorlog hoort weer een plek te krijgen in ons denken.’

De strijd die Oekraïne voert voor zijn voortbestaan en voor aansluiting bij de Europese Unie is volgens De Gruyter een kantelpunt. Het verlangen van dat land om aan te haken bij het Europese project laat zien hoe waardevol die Europese samenwerking is. Aan de andere kant leert het EU-burgers inzien hoe kwetsbaar dat Europese project is: ‘de Russische invasie van Oekraïne heeft Europeanen er met één klap aan herinnerd dat niet natuurrichtlijnen en visquota de essentie van de EU zijn, maar datgene wat erachter zit: nooit meer oorlog.’

Europa zal in dit tijdsgewricht van snel schuivende internationale panelen moeten leren omdenken, vanuit het besef dat oorlog, ondanks 80 jaar vrede, nog altijd een harde realiteit is, schrijft De Gruyter:

We moeten onszelf opnieuw uitvinden. Een balans vinden. Te lang hebben we gedacht dat we het kwade in onszelf hadden overwonnen. Nu denken we soms te veel dat we het goede in onszelf zijn kwijtgeraakt. Te veel vertrouwen is omgeslagen in te veel wantrouwen […] Maar we moeten oorlog en gewapend conflict opnieuw een plek geven in ons denken. Leuk of niet, dat is de klus waar we in Europa voor staan.

Roeland Sprey

Caroline de Gruyter – Zondagskinderen. Europeanen, oorlog en vrede. De Geus, Amsterdam. 304 blz. € 24,99.