Essay: Ellen Krol – over Misvattingen over de Shoah in Nederland van Guus Luijters
Guus Luijters: ‘Ook de verhalen die ik hoorde blijken vaak niet te kloppen’
In Misvattingen over de Shoah in Nederland (2025), schrijft Guus Luijters (1943-2025), dat hij als oorlogskind altijd alleen maar de halve waarheid over de oorlog gehoord had. Halve waarheden namelijk, waarin de Shoah verzwegen werd die zich in de stad (Amsterdam) voor de ogen van zijn bewoners heeft voltrokken.
Niet-Joodse kinderen van mijn generatie wisten van alles over etensbonnen en textielpunten, bomscherven, gaarkeukens, groene politie, zwarte politie, schietpartijen, publieke executies, waarbij voorbijgangers gedwongen werden toe te kijken, overvallen op distributiekantoren, spertijd en avondklok, verduistering, het vervalsen van persoonsbewijzen, onderduiken om niet als gastarbeider naar Duitsland vervoerd te worden, hongertochten, zwarte handelaren, verraderlijke NSB’ers, landverraders en SS’ers, en het verzet dat ieder jaar op de 4e mei plechtig werd herdacht, maar over het lot van de Joden werd niet gesproken.
Meteen daarop schetst Luijters hoe men bijna vanzelf in de verdediging schoot door de afzijdigheid goed te praten.
Ja ze waren uit hun huizen gehaald, maar wat konden wij daaraan doen?
Niets, want de Duitsers hadden wapens en wij alleen onze blote handen.
Wat kon je beginnen? Als ze je erop betrapten dat je naar de tram keek die ’s nachts naar het station reed, schoten de Duitsers je dood. Zoals ze je ook doodgeschoten als je Joden verborg. En hoe had dat trouwens gemoeten, dat verbergen? In de linnenkast?
Bij dit goed praten komen meteen twee van de totaal dertig misvattingen die Luijters behandelt in zijn pamflet aan de orde, namelijk misvatting 13, dat wie erop betrapt werd naar de trams te kijken waarmee de Amsterdamse joden ‘s nacht werden gedeporteerd, het risico liep doodgeschoten te worden. Elke misvatting wordt gevolgd door een bespreking met (onderzoeks)gegevens en zijn persoonlijke argumentatie waarom er van een misverstand sprake is. Het gaat hem niet om discussies met Shoah-ontkenners, met wie hij niet wil polemiseren, maar om de zonder kwade bedoelingen ontstane misvattingen, die ongemerkt ‘haast waar’ zijn geworden. De toon van het pamflet is serieus maar plezierig informeel, de taal soms spreektaal. Misvatting 13 bijvoorbeeld beschouwt Luijters als een gerucht, want er zijn hem geen gevallen bekend van mensen die gedeporteerd zijn of doodgeschoten omdat ze naar een tramdeportatie gekeken hebben. Het gevolg van het gerucht is wel dat er heel weinig getuigenissen over de nachtelijke treindeportaties zijn, behalve dan van Grete Weil, Tramhalte Beethovenstraat (1963), waaruit hij de beschrijving van een deportatie citeert. En verder is misvatting 9 genoemd, dat wie Joden liet onderduiken dat deed met gevaar voor eigen leven. Die misvatting was volgens Luijters wijdverbreid en niet geheel ten onrechte, want er zijn wel degelijk onderduikgevers vermoord, of in concentratiekampen terechtgekomen, zoals in Kamp Amersfoort, waar helpers en onderduikgevers van het Achterhuis voor enige tijd verbleven. Maar hulp aan Joden was volgens Luijters in Nederland niet strafbaar. Hij citeert het Weinreb-rapport, waarin staat dat ‘aan niet-joodse zijde de risico’s van het herbergen van joden veelal overschat [werden]’.[1] Achteraf bezien liet men de gastheren en -vrouwen van gepakte joodse onderduikers in de jaren 1942-1944 voor een groot deel lopen en voor het overige meestal niet zwaarder straffen dan met zes maanden in kamp Vught, aldus het geciteerde rapport.
Menigeen van de vroeg-naoorlogse generatie zal de boven geciteerde opmerking van Luijtens herkennen, zoals ook wat hij zegt over zijn ervaringen op school. Luijters stelt namelijk vast dat er in de zes jaar lagere en zes jaar middelbare school hem van alles geleerd was (van Floris de Vijfde tot en met de Franse revolutie), maar ‘over de Shoah is tijdens mijn schooltijd geen woord gevallen’. Over herkenning gesproken: op mijn eigen (openbare) lagere school vanaf ongeveer 1954, waar bij geschiedenislessen alles om de Tachtigjarige Oorlog draaide, was er net als bij Guus Luijters geen woord over de Jodenvervolging gevallen. Hondius, in haar boek, Oorlogslessen, over onderwijs over de Tweede Wereldoorlog, citeert uit correspondentie met de politicoloog Jan Colijn, die negen jaar was in 1955 en vaststelt, dat op school heel weinig en thuis of elders buiten school veel meer over de oorlog werd gesproken, wel ongeveer 90% thuis. Het ging over ‘Wie was er fout in de buurt? Welke middenstander had met de Duitsers gewerkt? […]’.[2] Volgens Hondius wilde men in de eerste naoorlogse periode het beeld neerzetten van Nederland als een klein, maar dapper land; in het onderwijs zocht men ‘bronnen van nationale trots’ in diepere lagen van de geschiedenis, vooral in de herinnering aan de opstand tegen Spanje in de Tachtigjarige oorlog. Er bestaat een duidelijk beeld van de vijand, namelijk de Duitsers en de ‘foute’ NSB-ers. Ook de slachtoffers, zoals de joden, ‘worden op gepaste afstand gehouden’. Volgens haar zou tot in de jaren negentig de ‘Nederlandse politieke en administratieve betrokkenheid bij het bestuur en het gebrek aan hulp aan de vervolgde joden in de schoolboeken grotendeels buiten beeld blijven.’[3]
Toen ikzelf op de middelbare school aankwam, in de jaren zestig, een jaar of zes na Luijters, was het schoolboek voor geschiedenis, Wereld in Wording vanaf 1954 in gebruik genomen, een nieuw oecumenisch initiatief, waarin de Tweede Wereldoorlog aan de orde komt. De oorlog werd in mijn tijd evenwel nog niet als eindexamenstof geëxamineerd. Eén herinnering aan de Shoah in de les steekt bij mij boven andere uit en die was niet uit de geschiedenisles. In die tijd verruimden de nationale herdenkingen, die zich tot dan toe gericht hadden op verzet en militairen, naar herdenking van alle Nederlandse burgerslachtoffers onder de naam Nationale Herdenking op de Dam, vanaf 4 mei 1961, aanvankelijk ’s middags om 4 uur. En het moet ter gelegenheid van díe herdenking geweest zijn dat onze filosofie/godsdienstleraar in de eerste klas het hele verhaal over de moord in de douches-die-gaskamers-bleken uit de doeken deed, en even daarop tijdens de in acht genomen stilte, vechtend tegen z’n tranen stil en verkrampt voor de klas zat. Zelf wist ik er wel iets van (wat mij in karige zinnen verteld was, vergezeld van ‘niet over praten’, in verband met naaste aangetrouwde familie), maar of dit met anderen in de klas ook het geval was, weet ik niet, noch of anderen ook iets van de ontroering van de docent merkten; wij allen bewaarden uit ontsteltenis een diep stilzwijgen over de hele situatie. Het wordt wel ‘de paradox van de educatieve situatie’ genoemd als na de oorlog de docenten zich wel direct tot de veranderende werkelijkheid verhouden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de schoolboeken.[4] Al snel daarna kwamen de delen De Bezetting van Dr. L. de Jong voor de televisie over wat de Duitsers ‘ons’ aangedaan hadden, maar de geschiedenislessen op de middelbare school hielden op na de Russische revolutie van 1917. [5] Volgens Oorlogslessen rijst uit het geschiedenisonderwijs in de jaren ’50 het beeld op van verdeeldheid en patriottisme (1944-1961) en voor de periode van 1962 tot 1977 geldt pas dat de Jodenvervolging centraler kwam te staan.[6]
De door Luijters beschreven dertig misvattingen over de Shoah zijn te verdelen in meer beschouwelijke kwesties en puur feitelijke zaken. Onder de laatste vallen onjuiste denkbeelden rond de Ariërverklaring, de Februaristaking, ‘Sperren’, het dragen van de ster, en feitelijke zaken rond de deportaties, zowel in Amsterdam, (met bovengenoemde misvatting 13), in Westerbork en in Auschwitz. De meer beschouwelijke vragen rond misvattingen gaan bijvoorbeeld over Nederlands antisemitisme, met name uitgesplitst naar voor-, tijdens- en na de oorlog, over de vraag naar waaruit Joods verzet bestond, en over de vraag naar het gevaar van onderduikers hebben, genoemde gedeeltelijke misvatting 9. En tenslotte over de vraag naar wat men nu wel of niet ‘wist’.
Zo noemt hij bijvoorbeeld misvatting 26 over de pijnlijke kwestie dat er in Nederland een veelvoud aan Joden is omgekomen in vergelijking met omringende landen. Dit wordt wel de zg ‘Nederlandse Paradox’ genoemd, de situatie van een land met een traditie en reputatie van tolerantie en toch zo’n hoog percentage joodse slachtoffers.[7] Ten eerste stelt Luijters, dat de bewering alleen klopt als je Nederland met andere West-Europese landen vergelijkt, want in Oost-Europa (Polen, Oekraïne en Rusland) was door ‘de Shoah-met-het-geweer’ het percentage vermoorde Joden zo hoog, dat Nederland er met 80% nog gunstig bij afstak. Als beste visie op het vraagstuk kiest Luijters voor Timothy Snyder in Zwarte aarde, die stelt dat daar waar de Duitsers de staat vernietigd hadden, (in Nederlands geval door het feit dat ons staatshoofd en de regering gevlucht waren) het mogelijk gemaakt was dat Nederlandse ambtenaren het beleid van de bezetter uitvoerden, dat de politie eraan ondergeschikt was, en de burgerlijke stand de Duitsers ter wille was.[8] Zo was er geen duidelijk buitenlands beleid en ook geen mogelijkheid om bijvoorbeeld in 1943 van koers te veranderen, met als een van de gevolgen dat de transporttreinen ongehinderd naar Auschwitz reden van 1942 tot en met 1944. Dus noch de angst of visie van de bevolking of de geografische situatie waren van doorslaggevende invloed, lijkt hij vast te stellen. Maar wie al opgelucht wil ademen, leest dan Luijters laatste zin over deze materie:
Wel opmerkelijk is dat het in 1943 mogelijk bleek zo’n 300.000 niet-Joden te laten onderduiken.
De lezer mag zelf concluderen dat in mei 1943 massaal het verzet tegen de Arbeitseinsatz van jonge mannen uit bezet gebied op gang kwam wat resulteerde in de mogelijkheid om 300.000 niet-Joodse Nederlanders te laten onderduiken, terwijl in najaar 1943 Amsterdam min of meer ‘Judenrein’ werd verklaard en de Joodse Raad werd opgeheven. Elders in het boek van Luijters is ter vergelijking te vinden, dat er in Nederland totaal zo’n 25.000 Joodse onderduikers waren.[9] Een pijnlijke verhouding.
Guus Luijters herinnert zich een fietstocht uit ongeveer 1948, achterop de fiets bij zijn vader, waarschijnlijk door de Rapenburgerstraat: huizen met dichtgetimmerde deuren en zonder ramen. Op zijn vraag waar iedereen was, zei zijn vader: ‘Weg’[…]. ‘Iedereen is weg’. Ook dat was ’op zijn best […] een halve waarheid.’ In vergelijking met de verhalen over Amsterdam hield ik mijzelf altijd voor, dat in het randstedelijk dorp waar ik na de oorlog opgroeide geen hechte Joodse gemeenschap geweest was, en dat verhalen over grote deportaties en trams met Joden niet opgingen. Pas in 2025 bleek uit een publicatie over Stolpersteine in deze voormalige gemeente, dat er wel degelijk, zij het her en der verspreid over een hele wijk, struikelstenen gelegd zijn. Een huis met in 2025 gelegde Stolpersteine voor een jong echtpaar lag op een pleintje een paar straten verder dan mijn school, waar dit echtpaar in oktober 1943 nog net tijd had om, volgens afspraak, hun twee kinderen via de achtertuin aan de buren over te geven, voordat zij beiden afgevoerd werden. De zoon van het echtpaar zou daar zelfs tot zijn eindexamen HBS in 1958 bij zijn onderduikouders gebleven zijn. Dat was hetzelfde pleintje, waar wij zo’n tien jaar na de oorlog in een lange sliert rolschaatsende kinderen geregeld heengingen, omdat het door asfalt bedekte straatoppervlak het pleintje geschikt maakte als provisorische rolschaatsbaan.
Wat ik het meest ontroerend vind aan dit boekje, is dat Luijters het begrip ‘verzet’ opnieuw ijkt als hij aantoont dat het Joodse verzet op mysterieuze wijze vrijwel geheel ondergesneeuwd is. Bij misvatting 8 over de vraag of onderduiken verzet was, wijst Luijters erop dat wie in de onderduik verdween, ― hij wijst op vroege gevallen als Anne Frank en Hanny Michaelis ― werd bedreigd met deportatie naar Mauthausen, wat toen al een zekere dood betekende. De joden die daartoe bereid waren moeten dus in feite gerekend worden bij het begin van de keten van verzet, met daarna de tienduizenden helpers die nodig waren om de onderduik mogelijk te maken. Luijters:
Het verzet van de helpers is altijd als verzet gezien. Na de oorlog kregen de verzetsstrijders, terecht, uitkeringen toegewezen en medailles opgespeld. Dat de Joodse onderduikers ook verzet pleegden, werd niet opgemerkt.[10]
In het voorwoord stelt Luijters dat als hij er met zijn boekje in slaagt het beeld van het Joods verzet te laten kantelen, hij zijn missie als geslaagd beschouwt. Hondius wijst erop dat pas in de jaren ’70 het begrip ‘verzet’ verbreding ondergaat als ook het onderduiken ertoe gerekend wordt, waardoor de geschiedenis van de Jodenvervolging in een ander licht komt te staan.[11] Toch is het beeld ook nu nog niet gekanteld.
Afgezien van zijn herwaardering van Joods verzet is het duidelijk, dat Luijters veel belangstelling heeft voor de relatie van vervolgde en niet-vervolgde Nederlanders, die hij in een kleine tiental misvattingen behandelt. Het boekje begint met misvattingen over de afwezigheid van antisemitisme in Nederland voor de oorlog (misvatting 1), met verwijzingen naar een vorm van ‘niet-politiek antisemitisme’ van o.a. E. du Perron, Menno ter Braak, Jan Greshoff en Adriaan Roland Holst, wat vervolgd wordt in misvatting 23, die inhoudt dat ook tijdens de bezetting het antisemitisme meeviel. Naast integrale publicatie van wat Luijters het meest weerzinwekkende staaltje noemt uit een weekblad van de Nederlandse SS, getiteld: Storm, van 4 juni 1943, haalt hij ook werk van Jacques van Tol aan, (bekend o.a. van Snip en Snap). Die heeft een aangepaste versie van het voor Louis Davids geschreven ‘De kleine man’ geschreven, met als refrein: ‘Dat was de jodenman, de dikke jodenman […]. ’ Misvatting 3 gaat erover, dat je met de Ariërverklaring aantoonde een ariër te zijn, terwijl je juist aantoonde niet-joods te zijn en misvatting 7 rond de Jodenster behandelt volgens Luijters zeer ‘aangedikte’ berichten, dat er bij de verplichting tot dragen van de Jodenster uit solidariteit ‘alom’ sterren gedragen werden.(Luijtens somt vijf voorbeelden op).
Daarnaast corrigeert hij een zestal misvattingen over concrete en meer plaatsgebonden zaken. Hij bespreekt kwesties of het waar is dat de trams die Joden naar de trein vervoerden voornamelijk ’s nachts reden, (misvatting 14), hij gaat dieper in op de rol van de Hollandse Schouwburg (in misvatting 15) en stelt de vraag of de ‘treinen’ altijd veewagens waren (misvatting 17) of ze in Westerbork wel altijd dinsdag vertrokken (misvatting 20) en of het zo is dat wie naar Auschwitz gedeporteerd werd altijd door die beruchte poort Birkenau binnenreed,( misvatting 20). Wie denkt dat er alleen maar min of meer bekende gegevens besproken worden in dit pamflet zal bij lezing merken dat Luijters niet gecensureerd heeft om gevoelige harten te sparen, niet alleen in schriftelijke uitlatingen, maar ook in ooggetuigenverslagen. Hij geeft aan bij vroegere publicaties zoals Kinderkroniek door weerstand vaak van publicatie afgezien te hebben, waar hij later spijt van kreeg.[12]
De dertig misvattingen kunnen, als je er eenmaal mee bezig gaat, naar het lijkt gemakkelijk uitgebreid worden met meer misvattingen, en het zou mij niet verbazen als dit ook de stille intentie van Luijters geweest is. Mijn toegevoegde misvatting zou de inmiddels ‘open deur’ zijn, dat er na de oorlog zoveel mogelijk geprobeerd werd het ondergane leed van de Joodse slachtoffers te compenseren, zowel op materieel als immaterieel gebied. Al het recente en nog te verrichten onderzoek van gemeenten naar eigen confiscatie van Joodse huizen kan daarin een plaats krijgen, zoals ook al het nog niet verrichte onderzoek naar Joodse inboedels en ander bezit. Evenals de vele gegevens over de wrevelige ontvangst van de teruggekeerden. Pressers epiloog getuigt ervan, en vele literaire getuigen laten zien dat men terugkeerde in een wereld waarin de dierbaren afwezig waren maar de materiële omgeving ‘meestal zo onvoorstelbaar intact en onveranderd was gebleven’. D. Hondius verwijst in Terugkeer naar de NIPO-enquête van augustus 1945, waarin op de vraag ‘of het leven door de oorlog erg veranderd is’ 62% van de Nederlandse bevolking ontkennend antwoordt. Bij 22% is dat wel het geval, maar daarvan geeft slechts 3% aan, dat dit te maken heeft met het verlies van familieleden.[13]
Hierbij hoort ook het gebrek aan hulp voor Joden na de oorlog van overheidswege. Het gaat dan om de kwestie dat volgens het regeringsbesluit in Londen expliciet besloten was geen onderscheid te maken tussen joodse en niet-joodse oorlogsslachtoffers. De meerderheid (‘met zes tegen vijf stemmen’) had het juist in het licht van de nazistische rassenleer ongepast gevonden ‘dat men te veel de Joden als een afzonderlijke groep zou gaan bekijken.’
Uit principe geen onderscheid tussen joden en niet joden, ook niet bij de hulpverlening, dat was sindsdien het standpunt van de Nederlandse overheid.[14]
Dit had tot gevolg dat de meestal volstrekt berooide overlevende joden geen extra hulp konden krijgen en aangewezen waren op internationale joodse instellingen. Hondius wijst er met een beroep op Martin Bossenbroek, De meelstreep, op, dat het begrip ‘Volksgemeenschap’ een rol speelde bij het onthouden van effectieve steun aan de Joodse overlevenden. Dat begrip sloot volgens haar aan bij passieve vormen van antisemitisme, namelijk een ‘gewoon’ gevoel van verschil tussen jood en niet-jood. Zij verwijst naar Duitse onderzoeken naar het begrip ‘Volksgemeinschaft’, waaruit blijkt dat sommigen het een goedkoop propagandaconcept achtten en anderen het juist als cruciaal begrip beschouwen, omdat het de nazi’s hielp hun regime te legitimeren. In Nederland werd het begrip Volksgemeenschap, in tegenstelling tot in het naoorlogse Duitsland, niet als probleem gezien, dus ook niet als een door het nazisme besmet begrip. Al in de jaren ’30 werd het gebruikt, en ook na de oorlog blijft het in gebruik in de pogingen om weer een Nederlandse eenheid tot stand te brengen, opmerkelijk genoeg zonder enige controverse. Hondius zegt daarover in Oorlogslessen:
In Nederland wordt het gebruikt om na de bevrijding joodse overlevenden die terugkeren uit de kampen of onderduik specifieke hulp te weigeren. Het voortgezette gebruik van dit begrip [Volksgemeenschap] werkt effectief mee om de joden uit te sluiten van het recht op ondersteuning van de overheid. [15]
Tot zover deze niet geheel geslaagde poging van mij een extra misvatting over de ontvangst van de teruggekeerden aan het pamflet toe te voegen. Er blijkt met name uit hoe goed Luijters erin geslaagd is de grote lijnen vol te houden zonder in details te verzanden.
Het pamflet van Guus Luijters is een boekje naar mijn hart: handig om bij je te steken bij discussies, en even handig om bij de hand te hebben voor een vlugge oriëntatie op een onderwerp. En waarom zouden docenten het niet gebruiken om redeneringen te analyseren? Het is opgebouwd uit overzichtelijk geordende vragen en antwoorden, soms met enig cijfermateriaal, maar dat wordt op een toegankelijke manier gepresenteerd. Het bevat geen geleerdendiscussie, maar is wel met behulp van onderzoek van anderen samengesteld.
Het boekje eindigt met de kernvraag naar wat er toen eigenlijk van de Shoah bekend was, misvatting 30: ‘We wisten het niet’. Aan het slot belandt hij bij het pleidooi van Bart van der Boom, die stelt dat het een cruciaal onderscheid is dat men in bezet Nederland niet wist dat joden werden vergast, maar wel vermoedde dat zij zouden omkomen door ontberingen. Die onwetendheid over de werkwijze in Auschwitz is volgens Van der Boom de sleutel tot het raadsel dat zowel omstanders als slachtoffers bleven gehoorzamen. Guus Luijters gelooft niet dat het om de terminologie draait, omdat het verschil tussen ‘vernietigd’, ‘uitgeroeid’ en ‘op den duur omkomen van honger en uitputting’ niet zo groot is. Er stond dus gewoon in de krant dat ze massaal vermoord zouden worden, stelt hij vast. Zelf denk ik dat het een misverstand is te denken dat de term ‘vergassing’ onbekend was. In het dagboek van Hanny Michaelis bijvoorbeeld vermeldt zij op 29 juni 1942, dat:
[…] pappie en mammie thuisgekomen [zijn] met het bericht, dat binnenkort alle Joden […] naar Polen en Duitsland zullen worden gedeporteerd om in fabrieken te werken of te worden vergast.[17]
Katja Happe noemt in haar monografie over de Jodenvervolging, Veel valse hoop, dezelfde datum waarop mensen BBC-berichten hadden gehoord over Jodenmoord in Polen ‘door mitrailleurs of in een gaskamer, met 90 personen tegelijk.’[18] Dus blijft de conclusie van Guus Luijters m.i. staan. Hij somt de hele lijdensweg op, van ontslagen worden, beroofd van bezit, van huis en huisraad, van alle naasten, gedeporteerd naar Westerbork en dan naar het oosten. Zonder dat er ooit bericht kwam uit het oosten. Om te besluiten met:
Eerlijk gezegd denk ik, weet ik wel zeker dat vrijwel iedereen dat wist. Iedereen wist het, denk ik, maar de meeste joden wilden het liever niet weten en de meeste niet-joden kon het niet schelen.
Ellen Krol
[1] D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw, Rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie […] inzake de activiteiten van drs. F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien. 2 dln. Den Haag 1976.
[2] Dienke Hondius, Oorlogslessen, Onderwijs over de oorlog sinds 1945. Amsterdam: Bert Bakker 2010, p. 81.
[3] Hondius, Oorlogslessen, p. 62-66; 41.
[4] Hondius, Oorlogslessen, p. 20.
[5] De Bezetting, 21 dln., van 1960-1965.
[6] Hondius, Oorlogslessen, p. 45-96 en p. 96-133.
[7] Hondius, Oorlogslessen, p. 21. Zie: J.C.H. Blom, ‘De vervolging van de joden in Nederland in internationaal vergelijkend perspectief.’ In: De Gids 150 (1987), nr.6/7, p. 494-506.
[8] Timothy Snyder, Zwarte aarde. Geschiedenis van de Holocaust. Vertaald uit het Engels door Bep Fontijn en Willem van Paasen. Amsterdam, Ambo/Anthos 2015.
[9] Guus Luijters, Misvattingen. Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2025, p. 38.
[10] Guus Luijters, Misvattingen, p. 39.
[11] Hondius, Oorlogslessen, p. 32.
[12] Guus Luijters, Kinderkroniek 1940-1945. Brieven, getuigenissen en dagboeken uit de Shoah. Amsterdam 2013.
[13] Dienke Hondius, Terugkeer, Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding, Met een verhaal van Marga Minco. Herziene en uitgebreide editie, Den Haag 1998, resp. p. 212, p. 12 en p. 171. Zie ook: Ellen Krol, Onbevrijd gevoel. Schrijvers over de Jodenvervolging en daarna. Groningen, Uitgeverij kleine Uil, 2024.
[14] Martin Bossenbroek, De Meelstreep, Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Bert Bakker 2001, p.195-196.
[15] Martin Bossenbroek, De Meelstreep, p. 207-216 en 258-270.
[16] Oorlogslessen, p. 38-39.
[17] Hanny Michaelis, Oorlogsdagboek 1940-1945.Bezorgd door Nop Maas. Amsterdam, Van Oorschot 2019.
[19] Katja Happe, Veel valse hoop, De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945. Vertaald door Fred Reurs. Amsterdam/Antwerpen, Atlas Contact 2018, p. 147. Zie ook p. 141.
