Het schaduwkind

De mooie, klassieke illustratie op het voorplat van Het boek van Bent van Robert van Dijk doet direct denken aan een afdruk van een linoleumsnede, zoals die in elk geval vroeger in de brugklas bij handenarbeid werden gemaakt. Het past bij de sfeer van het jeugdboek dat volgens de NUR-code bestemd is voor tien- tot twaalfjarigen.

Maar als volwassen lezer kun je evengoed genieten van de onderlagen die door de schrijver zijn aangebracht, overigens zonder dat dat ‘graafwerk’ zichtbaar is. Verteller is de ongeveer tienjarige Oets, van wie de tweelingbroer Bent drie jaar eerder door een ongelukkige val uit het raam van een vakantiehuisje om het leven is gekomen. Het perspectief is geloofwaardig, nergens schemert Van Dijk nadrukkelijk door.

De moeder wil tot ergernis van vooral Oets steeds maar over Bent praten, hem te pas en te onpas in herinnering brengen. ‘Alles sijpelt weg naar vroeger, naar hem.’ Zij is er eentje van het kommagesprek. Ja, maar Bent…

De vader is een man van staal, een jager, die zonder problemen dieren afschiet, plukt en met de neus boven de kookpot staat. Wanneer hij echter alleen in zijn schuur zit, huilt hij stilletjes. Oets die hem daar kortstondig bij betrapt denkt aanvankelijk dat het om de dode eend op vaders schoot gaat. Eigenlijk weet hij wel beter.

Het is maar een eend, pap. Mijn vader keek me even vragend aan, glimlachte, knikte en zei: Weet ik. Weet ik.

Oets heeft zelf een andere manier gevonden om met het verlies van zijn iets daadkrachtigere broer om te gaan. Hij zegt dat hij er zich eigenlijk niets meer van kan herinneren. De moeder blijft het met spraakmakende scènes proberen, maar het idealiserende karakter daarvan ergert Oets – en in stilte ook de vader – alleen maar meer.

Alles weet ik nog. Maar ik wil het allemaal niet meer weten, want het doet pijn, al dat weten. Vergeten wil ik het, ik wil het allemaal vergeten en ik wil dat jullie het ook vergeten. Daarom wou ik een hond, een hond met de naam Bent, zodat we het voortaan over een hond konden hebben…

Drie jaar nadat het noodlot heeft toegeslagen gaat het gekorte gezinnetje terug naar het vakantiehuisje van opa en oma – een ‘grappige’ parallel is dat oma zich door Alzheimer ook niet al te veel meer kan herinneren. Daar duikt plots een boskind op, Venne, een meisje dat haar eerste vriendje Bent drie jaar lang heeft gemist. Venne, die ook nog eens als vondeling is geadopteerd, niets weet van haar achtergrond, aansluiting zoekt, graag een broer of zus had gehad.

Oets doet zich voor als Bent, laat zich de kusjes welgevallen. De splitsecondebeslissing die Het boek van Bent een extra drive geeft. Weet Oets het vol te houden of verdwijnt hij in zijn draaikolk van leugens? Het is overigens geen opzet, geen kwade zin. Hij wil Venne geen pijn doen, is ook wel onder de indruk van haar.

En dan is er ook nog daadwerkelijk een boek door Bent geschreven, getekend. Een dagboek waarvan in eerste instantie alleen Oets het bestaan weet. Een zeker Droste-effect. Het boek in het boek dat over Bent gaat, maar eigenlijk natuurlijk over de nabestaanden, de manier waarop ze om elkaar heen cirkelen in het verdriet.

Wat voor rol krijgt het dagboek? Een verklappertje dat niets aan de kracht van Het boek van Bent afdoet. De moeder van Oets noemt hem in aanwezigheid van Venne eenvoudig bij zijn naam. ‘Oets, jij hier?’ Kinderen zijn nog heel flexibel. Venne neemt het in principe heel luchtig op. Oets de verteller is geestig, weet haar, net als zijn broer Bent, aan het lachen te maken.

En passant wordt de jeugdroman nog in een ander daglicht gezet, door een opdracht voorin het boek. Ter nagedachtenis aan Oene Christiaan van Dijk (1977-1996). Dat maakt Het boek van Bent helemaal tot een krachttoer.

Guus Bauer

Robert van Dijk – Het boek van Bent. Hoogland & van Klaveren. 168 blz. € 16,95.