Recensie: Lieke Kézér – Karel, Károly
Een Hongaarse jongen in Brabant
Sommige levens worden niet bepaald door de reis die iemand maakt, maar door alles wat daarna onuitgesproken blijft. Die gedachte draagt Lieke Kézérs derde roman Karel, Károly. Uitgangspunt is het levensverhaal van haar grootvader, die als elfjarige jongen in 1920 met een Hongaarse kindertrein naar Nederland werd gestuurd om aan te sterken. Na enkele maanden zou hij terugkeren, maar dat gebeurde niet. Károly werd Karel, leerde een nieuwe taal, bouwde een nieuw bestaan op en liet zijn verleden steeds verder naar de achtergrond verdwijnen. Vanuit die ingrijpende levenswending schreef Kézér een roman over ontworteling, identiteit en de onzichtbare gevolgen van gedwongen aanpassing.
De historische achtergrond vormt een stevig fundament onder het verhaal. In de nasleep van de Eerste Wereldoorlog werden duizenden ondervoede Hongaarse kinderen tijdelijk ondergebracht bij Nederlandse pleeggezinnen. Voor velen bleek die tijdelijke opvang een definitieve breuk met het ouderlijk huis. Ook Károly ondergaat dat lot. Niet alleen verandert zijn woonplaats, ook zijn naam, taal en toekomst krijgen een andere richting. Met die ogenschijnlijk eenvoudige naamsverandering laat Kézér zien hoe een identiteit langzaam verschuift zonder ooit helemaal te verdwijnen.
Kézér kiest consequent voor subtiliteit. Karel draagt zijn verleden met zich mee, maar spreekt er nauwelijks over. Zijn herinneringen blijven opgeborgen, alsof ze pas gevaarlijk worden wanneer ze onder woorden worden gebracht. Daardoor krijgt zijn zwijgen gewicht. De roman laat zien hoe iemand zichzelf kan beschermen door pijn niet te benoemen, al verdwijnt die daardoor nooit helemaal.
Omdat Kézér haar grootvader nooit persoonlijk heeft gekend, is haar boek tegelijk een zoektocht. Ze probeert niet elk historisch detail sluitend te verklaren, maar gebruikt de verbeelding om dichter bij de mens achter de familiegeschiedenis te komen. Door verschillende personages aan het woord te laten, ontstaat een breed beeld van de keuzes, verwachtingen en teleurstellingen die Karels leven hebben gevormd. Daardoor wordt hij geen held of slachtoffer, maar een geloofwaardig personage dat voortdurend balanceert tussen twee werelden.
Daarnaast schetst de roman een overtuigend beeld van het Brabantse platteland in de vorige eeuw. Het boerenbestaan krijgt gestalte in de dagelijkse arbeid, de vanzelfsprekende verbondenheid met de grond en de nuchtere mentaliteit van de gemeenschap. In die omgeving lijkt Karel uiteindelijk zijn plaats te vinden. Hij sticht een gezin, bouwt een eigen boerderij op en handelt vanuit een sterk gevoel voor verantwoordelijkheid. Dat blijkt ook in de Tweede Wereldoorlog, wanneer hij onderduikers helpt zonder daar ooit iets voor terug te vragen.
Kézér schrijft in een rustige, beheerste stijl die past bij haar hoofdpersoon. Ze vertrouwt op suggestie in plaats van dramatiek en kiest eerder voor kleine observaties dan voor grote gebaren. Een van de mooiste momenten ontstaat wanneer Edie haar man onverwacht Hongaars hoort spreken; ineens lijkt een deel van hem zichtbaar (en hoorbaar) dat jarenlang verborgen bleef. Zo maakt Kézér voelbaar dat afkomst zich niet laat uitwissen, hoe zorgvuldig iemand zijn verleden ook probeert af te sluiten.
Die sobere aanpak kent ook beperkingen. De historische inkadering is grondig en zorgvuldig, maar neemt soms zoveel ruimte in dat het persoonlijke verhaal naar de achtergrond verschuift. Op momenten krijgt de roman daardoor iets beschouwends, terwijl juist de intieme scènes tussen de personages de meeste indruk maken. Wanneer Kézér dicht op Karels gevoelens blijft, wint het verhaal aan emotionele zeggingskracht.
Dat geldt met name voor de slothoofdstukken, waarin ouderdom en ziekte hem voorzichtig confronteren met wat hij een leven lang heeft meegedragen. Niet omdat hij alsnog rekenschap wil afleggen van zijn verleden, maar omdat zijn lichaam hem dwingt stil te staan bij alles wat hij heeft weggeduwd. Zijn overtuiging dat sommige wonden vanzelf slijten, blijkt ten slotte even bewonderenswaardig als tragisch. Het is de houding van iemand die heeft geleerd verder te leven zonder ooit werkelijk afscheid te kunnen nemen.
Met Karel, Károly schreef Lieke Kézér een genuanceerde roman over de blijvende sporen van migratie en verlies. Ze laat overtuigend zien dat identiteit niet alleen wordt gevormd door waar iemand vandaan komt, maar ook door wat onderweg verloren raakt. Daarmee is deze roman niet alleen een liefdevol eerbetoon aan haar grootvader, maar ook een tijdloos verhaal over de vraag hoeveel van jezelf je kunt achterlaten voordat je een ander wordt.
Anna Husson
Lieke Kézér – Karel, Károly. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam. 304 blz. 23,99 euro.

