Uit de schaduw van de meester

Is een beeldend kunstenaar per definitie een warhoofdige, drankzuchtige, zichzelf verwaarlozende misantroop? Het veelgebruikte beeld gaat vaak aardig in die richting en Lucy Steeds gebruikt hem ook voor haar debuut Het atelier. De protagonist heet Edouard Tartuffe en hij leeft ver van de mensen in een half overwoekerd huis in het zuiden van Frankrijk. Verzachtend aspect hierbij is de periode waarin deze fictieve schilder leeft, 1920, dus in het interbellum, kort na de Eerste Wereldoorlog, bepaald geen periode waarin de goedheid van de mens centraal stond.

Tartuffe leeft daar als kluizenaar niet helemaal op een eiland, want zijn serviele nichtje Ettie zorgt voor alles. Het is dus eerder een schiereiland. Ook een kunsthandelaar mag van tijd tot tijd langskomen om de voltooide doeken mee te nemen voor de verkoop. Maar verder wordt er niemand getolereerd, want Tartuffe, bijgenaamd Tata, mag onder geen beding gestoord worden.

De jonge, bleke en onzekere Engelse kunstjournalist Joseph Adelaide, zelf gesjeesd kunststudent en bewonderaar van Tartuffe, verzamelt alle moed om op audiëntie te mogen komen. Een gewaagd idee, want hij weet zeer goed dat Tartuffe geen vreemde mensen in zijn omgeving duldt. Na maanden wachten krijgt hij tot zijn grote verrassing alsnog een briefje van de meester met slechts één woord: ‘Venez’, ofwel ‘Kom’.

Joseph gaat op reis en vindt op de verstopte plek in de Provence inderdaad het huis van Tartuffe en zijn nichtje. Maar erg welkom lijkt hij er niet. Tartuffe zelf herinnert zich zelfs het briefje niet, wat Steeds later uit de doeken doet in deze zomers loom aandoende roman. Het is in die omgeving en dat jaargetijde natuurlijk altijd erg warm, wat zich vertaalt in daarbij passende gedragingen en ontwikkelingen. De schilder en het meisje leven er bovendien een uiterst eenvoudig leven, waarin alles draait om het oude genie, de grommerige, wat enge man met een goed en een slecht oog, het gevolg van een ruzie in zijn jongensjaren.

Joseph, die een pakkend interview hoopt te maken, krijgt lange tijd geen poot aan de grond, maar omdat Tata de pipse jongen wel geschikt vindt als schildersmodel, mag hij voorlopig blijven. In die tijd leert hij ook Ettie steeds beter kennen, die niet alleen alles regelt voor Tata, maar er ook een dubbelleven op na blijkt te houden. Ze loopt als vrouw in die tijd echter overal tegen spreekwoordelijke muren aan. Niet alleen buitenshuis, maar ook bij Tata, die haar graag klein houdt en het überhaupt niet verdraagt als er aandacht uitgaat naar een ander, zeker niet naar een vrouw.

Ettie weet dat Tata bang is voor een leven zonder haar. Wat Tata bovenal vreest is het leven waar zij van droomt.

Joseph en Ettie hebben zich nu samen te verhouden tot Tata, waaruit een voorzichtige liefde voortkomt. Natuurlijk op een heel terughoudende manier, passend bij die tijd. Deze roman, waarvan noch de originele titel The Artist noch de vertaalde Het atelier, uitblinkt door prikkelende aantrekkelijkheid, draait overwegend om de onderlinge verhoudingen van de drie hoofdpersonages. Er zijn echter wel geregeld verwijzingen naar de Grote Oorlog, de destijdse kunstwereld, zo komt zowaar Peggy Guggenheim op bezoek, en de breed levende hoop op een beter bestaan. Tata was bijvoorbeeld niet zo gesteld op Paul Cézanne, zijn vakrivaal. Toch komt de beroemde impressionist uiteindelijk naderbij dan je aanvankelijk dacht.

Het atelier, een debuut nota bene, zit vaardig in elkaar, al stel je jezelf wel eens vragen, bijvoorbeeld als een pas voltooid, dus nog nat olieverfschilderij al de volgende dag ingepakt meekan met een kunsthandelaar, maar dat zijn details. De roman combineert sterke, lyrische sfeertekening en een aandoenlijke liefdesgeschiedenis met het geestelijk ontwaken van een jonge vrouw, die zich realiseert dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat zij er altijd maar moet zijn voor een ander. En dat zij ook over talenten en mogelijkheden beschikt voor een interessant en volwaardig leven. In 1920 zou dat, zeker op het afgelegen Franse platteland, wel heel uitzonderlijk zijn geweest, maar het is een mooie premisse. Zeker afgezet tegen het beeld van de oude, egomane, mannelijke kunstenaar, die een ander volledig claimt.

André Keikes

Lucy Steeds – Het atelier. Vertaald door Anke Frerichs. Meulenhoff, Amsterdam. 352 blz. € 22,99.