Gedicht: Zaïre Krieger – Het Regenbooggedicht 2026
Het Regenbooggedicht 2026
daar waar het water het licht ontmoet
daar waar een god de stralen boog
tot regen kleuren droog
onze afspraak
dat er nooit weer een zondvloed zou zijn
de mens was immers zelf veel beter in
vernietigen
en dan vooral door patriarchale versjes
waar mannen maken
en vrouwen aan zijn zij staan,
alsof haar ribben niet voor zijn bestaan breken.
en dan vooral door witte illusies
waar normaal een kader is
de westerse wurging van willen en nemen
die homofobie heeft geëxporteerd
en toen zijn hand verborg
de gehele wereld zindert nog na van
ontworteling
want sinds vanouds zijn wij de poortwachters, die de diepere realiteit van mens-zijn brachten. Deze multidimensionaliteit, dit prisma van fluïditeit, omdat zij die op grenzen leven grenzeloos zijn. Het confronteert iedereen met zijn eigen hoeken en gangen, waar controle en angst niet kunnen komen. Het brengt ons oog in oog met de natuur, waar om te overleven meerdere waarheden moeten stromen.
en er zijn duizenden zondvloeden
elke dag
achter gesloten deuren
zeeën van tranen die de zon nog moet vinden
omdat men geen diversiteit
maar conversie wilde.
een omgekeerde roze driehoek
werd ooit een stoet van stralen
waar de regen de zon ontmoette
onze afspraak
dat wij ons nooit meer zullen laten losmaken
van de natuur.
dat we alle tranen zullen dragen
dat ons water dikker zal blijven dan bloed
om zo iedereen te herinneren aan het land,
de zon, het water,
wat voor niets opkomt en ons verwarmt
om zo iedereen terug te brengen naar diens
oorsprong.
Zaïre Krieger
Dit jaar heeft Zaïre Krieger van de Stichting CPNB de opdracht gekregen om het Regenbooggedicht te schrijven. De bekende spokenwordartiest volgt daarmee als vijfde Regenboogdichter op Babeth Fonchie Fotchind, Valentijn Hoogenkamp, Rachel Rumai Diaz en Renée Luth. Het gedicht is een jaarlijkse poëtische noot in het kader van Pride Amsterdam en markeert de start van een zomer met Regenbooginitiatieven die in het boekenveld georganiseerd worden.
(foto: © Sarah Berends)

Amai, dat is echt wel bijzonder slecht geschreven.
Vernietigende patriarchale versjes, ik zou daar toch graag wat voorbeelden bij lezen.
De vierde strofe kan me nog enigszins bekoren, de rest is echt niet best, zeg.
‘Sinds vanouds’ klinkt als een tautologie die niet moedwillig is gebruikt. En hoe zit het met het land en het water ‘wat’ voor niets ‘opkomt’? Naar wat verwijst het ‘het’ dat iedereen confronteert met de eigen hoeken en gangen? De regel ’tot regen kleuren droog’ kom ik ook niet uit, maar dat kan aan mij liggen. En er is natuurlijk dichterlijke vrijheid.
Maar jemig, dit is toch een gedicht waar nog zeer veel aan geschaaft moet worden? Of een eerste poging die beter verwijderd had kunnen worden?