Alles is politiek, ook sport

Afgelopen winter lazen we met mijn boekenclub Berlin 1936 , Sechzehn Tage im August van de Duitse historicus Oliver Hilmes. Ik moet daar tijdens dit WK voetbal veel aan denken.

Voor wie bij het nieuws dat supporters, officials en zelfs een scheidsrechter de toegang tot Amerika werd ontzegd weer aarzelde of ‘we’ dit sportfeest toch niet hadden moeten boycotten, is het boek een aanrader.

Het is in dat licht jammer dat Nederland het zo goed deed in de voorrondes, het is eenvoudiger om niet te kijken als je er zelf vroeg uitligt. (Overigens kost het mij geen enkele moeite, want ik vind zelf sporten veel leuker dan voor de buis hangen. De laatste keer dat Nederland de WK finale haalde, was het een stralende zomeravond en lag ik in het Paterswoldsemeer. Er kwam een bootje langs vol uitgelaten jongens van een jaar of dertien die diep geschokt waren toen ze erachter kwamen dat ik geen minuut van de wedstrijd had meegekregen.)

Maar nu naar Berlijn in 1936. Ik las in een commentaar van de Volkskrant dat die Spelen worden aangehaald als voorbeeld van een tijd ‘waarin sportorganisaties hun oren nog niet lieten hangen naar de autoritaire leiders van een land en zelfs tegen Adolf Hitler in durfden te gaan. De voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, Henri de Baillet-Latour, wees de Führer er tijdens de Zomerspelen van 1936 in nazi-Duitsland op dat het toernooi toch echt van de sporters was. En dat het Olympiastadion in Berlijn voor even geen Duits grondgebied was, maar het IOC toebehoorde’. Ook deze commentaarschrijver beveel ik Berlin 1936 van harte aan.

Het boek geeft een caleidoscopisch beeld van de zestien dagen waarin de Olympische spelen plaatsvinden. Hilmes springt in korte scènes van gewone Berlijners en toeristen naar sporters, kunstenaars, schrijvers, diplomaten en Nazi-kopstukken.

De eerste scène toont diezelfde Henri de Baillet-Latour in zijn luxe kamer in het Hotel Adlon in Berlijn op de openingsdag van de spelen op het moment dat hij om 7.30 uur gebeld wordt door de wekdienst. Hem wacht die dag een strak georkestreerd festijn met een smetteloze openingsshow. Het brengt de Poolse ambassadeur, Józef Lipski, aan het slot van de openingsceremonie tot de volgende opmerking tegen de IOC-voorzitter: ‘Wir müssen auf der Hut sein vor einem Volk, das zo zu organisieren versteht. (…)  Eine Mobilmachung in diesem Land wird genauso reibungslos functionieren.’

Deze cynische vooruitwijzing naar wat in 1939 staat te gebeuren, zet de toon voor het hele boek. Hilmes laat prachtig zien hoe onder de façade van een open, vredig Duitsland de dictatuur en de Joodse onderdrukking bloeit en hoe de massaal uitgerukte buitenlandse media dat – op een enkele uitzondering na – compleet weten te missen: ze zetten nauwelijks een stap buiten het Olympisch stadion. En dat terwijl er 1800 journalisten uit 59 landen aanwezig zijn, zo vertelt Hilmes.

Hitlers propagandamachine draait ondertussen als een tierelier. Op de eerste dag van de Spelen staat het speerwerpen voor de vrouwen op het programma. Ottilie (Tilly) Fleischer behaalt de eerste gouden medaille voor Duitsland. Ondanks dat Berlijn voor even het IOC toebehoort, wordt de fotosessie van de winnaars gemaakt in de loge van de Führer.

Maar ja, het Olympisch Comité heeft zich al veel eerder zand in de ogen laten strooien. Onder druk van, o ironie, de VS, wordt begin jaren dertig de vraag of het Duitse regime wel Joodse sporters deelname vergunt aan de spelen een heet hangijzer. Laat Duitsland dat niet toe, dan dreigt de opkomende sportnatie Amerika niet mee te doen.

Daarom stuurt het IOC in 1935 Charles Hitchcock Sherrill naar Berlijn. In een gesprek met Hitler geeft hij – ondanks dat hij zeer onder de indruk is van de Führer – aan dat de spelen niet in Berlijn zullen worden gehouden als Duitsland op het standpunt blijft dat Joodse sporters uitgesloten worden van deelname aan de Duitse equipe.

Na een kenmerkende tirade van Hitler wordt de kwestie als volgt opgelost: ‘Selbstverständlich werde man jüdische Sportler in die deutsche Mannschaft aufnehmen, lautet fortan das Credo, sofern diese in ‘olympiareifer Verfassung’ seien.’ Iedereen tevreden.

Het aantal Joodse spelers dat ‘klaar voor de spelen’ wordt geacht, blijft, zoals te verwachten was, miniem. Aan de ploeg wordt in de ironische woorden van Hilmes één ‘Alibi-Jud’ toegevoegd, de halfjoodse schermster Helene Mayer. Zij was in 1935 naar Amerika vertrokken vanwege de anti-Joodse sentimenten, maar ziet er geen probleem in om voor Duitsland uit te komen. Ze wint uiteindelijk zilver. Op het podium brengt ze de Hitlergroet.

Het Olympisch voetbaltoernooi verloopt ondertussen minder goed voor het Duitse voetbalelftal. In de kwartfinale verliest Die Mannschaft van Noorwegen. De trainer, Otto Nerz, zo noteert Hilmes droogjes, wordt naar een strafkamp gestuurd.

Zijn lot lijkt op dat van de kleine Elisabeth, een van de vele schrijnende verhalen die Hilmes ook optekent in zijn boek. Twee maanden voor het begin van de spelen is de verordening ‘Zur Bekämpfung der Zigeunerplage’ afgekondigd. Vlak voordat het sportfestijn begint, zijn Elisabeth en haar familie samen met 600 andere Sinti en Roma hun huis uit gezet en verplaatst naar de rand van Berlijn, naar een stuk grond dat begrenst wordt door spoorlijn, begraafplaats en rioolvelden. Het stinkt er afgrijselijk. Geen van de 1800 journalisten neemt er een kijkje.

Aan het eind van zijn boek maakt Hilmes de balans op. De spelen zijn voor Duitsland op bijna alle fronten een succes. Duitsland wint de meeste medailles en boert flink door alle buitenlandse toeristen.  En wat niet in geld uit te drukken is, maar des te belangrijker, is het beeld dat de wereld van Duitsland heeft gekregen: ‘Die meisten ausländischen Besucher sind begeistert und überwältigt von dem, was das nationalsozialistische Berlin zu bieten hat. Adolf Hitler und seiner Regierung gelingt es, sich als friedliebender und verlässlicher Partner der Völkerfamilie zu präsentieren.’

Enige smet voor de Duitsers op de spelen zijn de vier gouden medailles voor de Amerikaanse zwarte hardloper Jesse Owens. Daar put ik hoop uit voor dit WK. Ik biechtte laatst op aan een bevriende pastoor dat ik elke avond bid dat de Verenigde Staten uit het toernooi geknikkerd wordt door een land waar ze zelf de grenzen voor gesloten hebben.

Esther van der Meer

Oliver Hilmes – Berlin 1936, Sechzehn Tage im August. Penguin Verlag, München. 302 blz. De Nederlandse vertaling van Rob Hartmans verscheen bij Ambo Anthos onder de titel Berlijn 1936, Een zomer in Hitlers Duitsland.

De literaire sportzomer
Het WK voetbal, de Tour de France, Wimbledon, EK atletiek, WK roeien: deze zomer hoeft de sportkijker zich geen seconde te vervelen. Om helemaal in de stemming te komen en ons niet alleen blind te staren op wat er gaande is op het scherm en in de media, duikt Tzum als vanouds de boeken in. Onze schrijvers lezen de beste biografieën van sporters, vergeten geschiedenissen, jubelverhalen en zwarte bladzijden over de grootste en kleine sporten. Niet voor niets bestaat sport in ons collectieve geheugen vooral bij de gratie van de verhalen die verteld worden, lang nadat het stof is neergedaald.

Foto: Helene Mayer brengt de Hitlergroet. Publiek domein, via Wikimedia)