Jazz als zoektocht naar waarheid

Altijd lastig: het in balans houden van de verhouding tussen verstand en gevoel. Bij het schrijven over muziek en met name jazz, waarin improvisatie zo’n belangrijke rol speelt, is dat helemaal een uitdaging. De Britse literaire grootheid Geoff Dyer waagde zich er aan om het ultieme jazzgevoel te vangen, dat zich uitstrekt tot ver buiten de muziek, waar je je toch het beste beweegt met enige kennis van zaken. De ook in de Nederlandse vertaling terecht gehandhaafde titel But beautiful (1991), naar een jazz standard uit 1947 van Jimmy Van Heusen, bevat precies die ambiguïteit.

Dyer begint er meteen in zijn voorwoord over; dat hij niet zeker wist welke vorm hij aan dit jazzboek moest geven. Het roept herinneringen op aan Huiswerk (2025), zijn boek over opgroeien in Engeland in de jaren zestig, toen je maar wat moest (en kon) proberen, maar meer nog aan het later dan dit jazzboek verschenen Uit pure woede (1997), waarin zijn langdurige worsteling om de juiste vorm voor een boek te vinden centraal staat. Steeds weer die innerlijke strijd, de twijfels en de improvisatie. En uiteindelijk de gezochte balans.

Het hoeft daarmee ook geen verbazing te wekken dat Dyer een jazzman is. Als kind van 1958 weliswaar een liefhebber in de tijd toen de klassieke namen van het genre hun belangrijkste werk al gemaakt hadden, maar toch een tijd toen jazz nog overal klonk. Dyer legt dus uit dat hij opnieuw moeite had met de vorm. Met veel verzonnen dialogen en handelingen zou het misschien te veel richting fictie bewegen, overwoog hij, maar hij voelt zich beslist ook geen ware non-fictieman. En opnieuw komt hij uit bij een speelse en verrassende benadering, die echt Dyer is.

Hij gebruikt zijn kennis van jazzgrootheden als Bud Powell, Charles Mingus en Duke Ellington, natuurlijk hun muziek, alles wat hij in zijn geheugen opgeslagen heeft uit artikelen en interviews. Daarnaast wat hij meekreeg van andermans gesprekken met de muzikanten, maar ook hun soms kritische meningen over hen. Om dat alles te verwerken in een grotendeels fictief verhaal, dat wel talloze raakvlakken heeft met de realiteit van de intens geleide jazzlevens, die niet zelden getekend waren door armoede, onbegrip, racisme, tegenwerking en geweld. Naast de ingrijpende gevolgen van nogal eens roekeloze omgang met sex, drank en drugs.

Het geeft meteen aan dat een puur feitenrelaas hier niet zou kunnen voldoen om de jazzy groove te schetsen. Toch vindt Dyer tegelijkertijd dat je pas ten volle van jazz kunt genieten als je bepaalde achtergronden en ontwikkelingen kunt herkennen:

Iemand die aan jazz begint, springt er vermoedelijk op goed geluk ergens middenin (Kind of Blue is zo’n typisch startpunt, maar voor velen zal het eerder John Zorn of Courtney Pine zijn), en gaat van daaruit naar voren en naar achteren in de tijd. Dat is jammer, want jazz wordt het best chronologisch gesmaakt (Parker lijkt minder beangstigend als je eerst het geschreeuw van Pharaoh Sanders passeert). Feit is dat zelfs als we hun platen nooit hebben beluisterd, we Louis Armstrong, Lester Young, Coleman Hawkins, Art Tatum en Bud Powell horen in haast elk jazznummer dat we tegenkomen. Als we eindelijk besluiten om Bud Powell te beluisteren, is het moeilijk om uit te maken wat er nu zo bijzonder aan hem is: hij klinkt als elke andere pianist (maar wat we echt bedoelen is dat elke andere pianist klinkt als Bud Powell).

Dyer laat hiermee duidelijk doorklinken dat emotionele spirit en groove ook in de jazz niet zonder rationaliteit kunnen. Tenminste als je er echt uit wil halen wat er in zit. En hij vergelijkt het met een oude familiefoto, waarbij je wel moet weten hoe de verhoudingen tussen bijvoorbeeld opa en kleinkind precies liggen.

Maar dat is slechts één kant van dit boek. But beautiful is niet minder een innemende en soms intieme kijk in het leven van de musici, zoals je je dat voorstelt, hun milieu, hun gemeenschap. Het gaat bijvoorbeeld over Thelonious Monk die, toen al, een grote voorkeur had voor hergebruik van spullen, nog onwetend van de eco-discussie van nu, maar gewoon omdat hij zich eerder thuis voelde in wat al gebruikt was. Is zoiets misschien een Dyer-ingreep, zou zo maar kunnen, maar dan wel gebaseerd op onderzoek.

Ook contrabassist, componist en orkestleider Charles Mingus’ onvrede met het Amerika van zijn tijd komt geloofwaardig tot uitdrukking in Dyers benadering. En dan gaat het bijvoorbeeld over prozaïsche zaken als een te hoog lichaamsgewicht, talloze knetterende ruzies, zelfs met zijn bandleden (‘Soms ontsloeg hij de helft van zijn band op één avond’), maar ook over het moment dat hij emotioneel instort als hij geëerd wordt in het Witte Huis vanwege zijn onschatbare bijdrage aan de Amerikaanse cultuur. Het gedeelte van dit boek over de continu licht ontvlambare Mingus past even naadloos in dit humane mozaïek als dat van de kwetsbare, drugsverslaafde trompettist Chet Baker, die zijn einde vond in Amsterdam, toen hij uit een raam viel.

Dyer brengt veel aspecten van de jazz bij elkaar, omdat ze allemaal deel uitmaken van een gevoel, waarin de muziek en de manier van leven een ‘test van de ziel’ vormen, die laat uitkomen dat het welbeschouwd een zoektocht naar waarheid is, zoals Dyer het in zijn uitgebreide nawoord omschrijft.

En of de jazz nog even veel te vertellen heeft als vroeger… ook daar is Dyer eerlijk over: de free jazz gleed af ‘naar wat steeds meer op lawaai en steeds minder op muziek ging lijken’. Hij begrijpt het wel dat het publiek daar geen zin in had. En nu en straks?

Vergeleken met andere muziekvormen is de jazz van vandaag te verfijnd om de levenservaring van het getto uit te drukken; hiphop doet dat beter. (…) nu is jazz steeds meer iets waar mensen bij uitkomen als ze de banaliteit van de popmuziek beu zijn.

En hij haalt multi-instrumentalist Roland Kirk aan, die hedendaagse jazz typeerde als ‘zwarte klassieke muziek’. Het zegt veel over de huidige staat van het genre. Al bestaan er ook talloze vooroordelen en misvattingen over de jazz. Ze komen terloops voorbij tussen de talloze namen, die Dyer dropt in het nawoord, dat voorafgaat aan enkele bladzijden met relevante bronnen, een beknopte discografie en talrijke noten. Aansluitend bij Kirks woorden, durft Dyer het aan om meesterpianist Keith Jarrett evenzeer een erfgenaam van dichter Rainer Maria Rilke te noemen als van Bill Evans en Bud Powell. En zelfs daar blijft het niet bij, wat veel van Dyers genegenheid tot de jazz onderstreept:

(…) de intensiteit die voelbaar is als Alfred Brendel zich voorbereidt om Schubert te spelen, verbleekt bij die van Jarrett die zich voorbereidt om te gaan improviseren.

André Keikes

Geoff Dyer – But beautiful. Een boek over jazz. Vertaald door Ivo Verheyen. Tristan / Standaard Uitgeverij – Antwerpen. 224 blz. € 24,99.