De volgende recensie komt uit 2006.

Melodrama

In De vulkaan en het meisje probeert Paul Gellings ons mee te laten leven met Rafaël die op een tropisch eiland vlakbij Venezuela een marginaal bestaan als pompbediende leidt. Oorspronkelijk komt hij uit Nederland en in flashbacks krijgen we langzamerhand een beeld van hoe het allemaal zo gekomen is.

Samen met zijn broer Arthur groeide hij op in een welvarend gezin maar toen zijn ouders bij een ongeluk om het leven kwamen ging alles mis. De jongens vielen in handen van een kwalijke notaris, belandden in foute pleeggezinnen en langzamerhand ging het van kwaad tot erger. Kindermishandeling, uitbuiting, ja zelfs seksueel misbruik door een priester, moord op de broer, brandstichting en nog heel wat meer, werd het lot van de held en uiteindelijk belandde hij dus op dit eiland. Waar het ook al niet erg gezellig is. Hij moet voor een maffiabaas werken die zijn vriendinnetje voor hem wil laten tippelen.

Toe maar, dacht ik steeds vaker, dat kan er ook nog wel bij, gooi er maar een pedofiele schurk tegen aan of een erg slechte politieagent, of een kwalijke maffiafiguur. Gellings stapelt het allemaal op en op, er komt absoluut geen einde aan. We krijgen een encyclopedie van rampen voorgeschoteld waar je als lezer natuurlijk ook weinig aan kunt doen en dus zat ik steeds vaker te
wachten tot de ene ramp achter de rug was om me alvast op de volgende voor te kunnen bereiden. Die poging om naar Venezuela te ontsnappen zal dus ook wel niet lukken dacht ik al lang van te voren. En ja hoor, alweer mislukt. En zijn vriendinnetje….verdorie, als dat maar goed afloopt en gelukkig, dat gaat dus ook mis.

Ik merk dat ik over deze roman begin te schmieren, zoiets moet je natuurlijk als recensent niet doen, maar het beukende noodlot dat de held steeds treft begon meer en meer op mijn zenuwen en mijn lachspieren te werken, nog erger, het kon me uiteindelijk niets meer schelen.

In het begin bleef ik nog wel bij de les. Gellings zet een aardig sfeerbeeld neer van zo’n tropeneiland: ‘Vijf uur. Het eiland slaapt nog. Een blauwige schemer hangt in de straten, tussen de palmen. Tegen de kade klotst het water, schuren boten zachtjes langs de kanten.’ Zoiets wekt verwachtingen over een mooie tropische geschiedenis met een beetje kolonialisme, melancholie en muziek, waarbij uiteindelijk alles bij het oude blijft. Zo’n boek dus. Uit dit begin blijkt nergens dat Gellings een rampenboek wilde schrijven waarbij alle andere rampenboeken zouden moeten verbleken. Oliver Twist en Kruimeltje zijn er absoluut niets bij en die lopen uiteindelijk goed af, ook dat nog.

Het punt is overigens niet dat ik alleen boeken wil lezen met voor de held gunstige ontwikkelingen, van mij mag het met iedereen verschrikkelijk mis gaan. Het gaat er natuurlijk om met welke literaire middelen je als schrijver de rampen geloofwaardig en interessant weet te krijgen. Bij Gellings komt het niet van de grond. Hij hanteert het principe van lange-halen-gauw-thuis en geeft dus alleen globale beschrijvingen van de gebeurtenissen. Hij wil zoveel rampen laten gebeuren dat hij er niet toe komt eentje ervan eens helemaal uit te werken, met geloofwaardige details. En interessante zinnen die iets toevoegen aan het verhaal. De situaties en personages blijven pijnlijk zwart-wit, de dialogen lijken te komen uit het melodrama De twee wezen. Niets is geloofwaardig of subtiel. Ik geloofde er allemaal niks meer van.

Kees ’t Hart

Paul Gellings – De vulkaan en het meisje De Geus, Breda. 190 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 21 juli 2006.