Francis ‘Claude’ Esfandiari

Vroeger speelde ik heel vaak het computerspelletje Grand Theft Auto San Andreas. Het doel bij dat spel is, of dat was het in ieder geval voor mij, om zo veel mogelijk mensen dood te knallen zonder zelf gedood te worden. Op een gegeven moment wordt dat heel lastig, want dan worden er politiehelikopters op je afgestuurd die je kunnen doorzeven met hun machinegeweren, of rijdt het leger met een tank achter je aan. Rod Stewart kon dan nog zo hard zingen uit het radiootje van mijn Banshee – uiteindelijk eindigde ik in een plas bloed. TENZIJ ik de zogenaamde cheatcode gebruikte voor onbeperkte gezondheid. Ik ramde dan op een paar knoppen in een vaste volgorde en ik was onkwetsbaar. Geen missie was te moeilijk voor mij op deze manier. Ik schaamde mij daar niet voor, want ik wist dat ik niet beter kon. Met een werkelijk vaardige gamer zou ik me daarentegen niet durven vergelijken.

Francis ‘Claude’ Esfandiari schreef op 8 september een opiniestuk voor Trouw met de kop: ‘Ik gebruik als schrijver AI, en daar schaam ik me niet voor’. Dat heeft ze dan met Walter ‘Claude’ van den Berg gemeen, die eveneens vol trots kan schrijven over zijn wonderprompts. Als ik me even in beiden verplaats, snap ik ze heel goed: zijzelf hebben immers gezien hoe hun teksten eruitzien zonder AI. Het moet schrikken zijn als je, zoals Esfandiari, niet meer op synoniemen kan komen en vervolgens niet meer op zinsconstructies, of dat je, zoals Van den Berg, geen idee meer hebt of er ritme in een alinea zit en wat er eigenlijk moet gebeuren nu je personages tegenover elkaar staan. Ikzelf zou dan gaan googelen naar de precieze symptomen van afasie, maar als je nog niet durft toe te geven dat het schrijversbestaan niet (meer) voor jou gemaakt is, dan kan je ook de AI-cheatcode gebruiken. Daar kom je dan een heel eind mee, zoals in de Trouw en de Volkskrant of op de shortlist van de Hans Vervoort-prijs.

Een kunst is het echter letterlijk en figuurlijk niet. Creatief schrijven is dat wel. Daarom gaat de vlieger van ‘Esfandiari’, dat Google Maps en Google Translate feitelijk toch ook aloude vaardigheden verloren hebben doen gaan, niet op. Kaartlezen en (niet-literair) vertalen zijn puur functioneel, een middel. Creatief schrijven, zoals alle kunst, draait alleen maar om zichzelf. Dat kreeg ik al geleerd bij mijn basisvak filosofie. En dat ‘zelf’ van een kunstwerk is voor een enorm groot deel de maker. Op het moment dat je het scheppen gaat uitbesteden aan een AI, ben je de boel aan het vervuilen. Je bent hoogstens wat ze in de wereld van Harry Potter een modderbloedje noemen.

Vilein, noemt een lezer het, om Walter ‘Claude’ van den Berg niet gewoon Walter van den Berg te noemen. Ik noem het noodzakelijk. Mensen die een tekst hebben geschreven met behulp van AI móéten onderscheiden worden van schrijvers die het op authentieke wijze doen. ‘Van den Berg’ of ‘Esfandiari’ kunnen nog zo proberen de lezer zand in de ogen te strooien door AI te vergelijken met een redacteur of schrijfcoach, degene die gebruik maakt van die personen weet dat een redacteur veel minder sturend te werk gaat. En anders hebben we het er zoals in de zaak Raymond Carver decennia later nog over.

Het mag dan zo zijn dat lezers het verschil tussen een door AI geschreven tekst of een menselijke tekst niet eens opmerken, het mag dan zo zijn dat AI-teksten qua kwaliteit en vermakelijkheidsgehalte niet onderdoen voor ambachtelijke teksten, het zijn en blijven twee verschillende genres. Waar Willem-Frederik Hermans schrijven vergeleek met een eitje bakken op de top van de Mount Everest, daarmee doelend op de uitputtende klim van het proces, pakken Van den Berg en co gewoon de kabelbaan. Het eindpunt mag dan hetzelfde zijn, we spreken over totaal verschillende dingen. Maar de kabelbaangangers noemen zich alsnog trotse bergbeklimmers.

De ambachtelijke schrijvers zullen wat mij betreft altijd hoger in de hiërarchie staan dan de schrijvers met cheatcodes, omdat zij intrinsiek veel meer talent hebben. Een AI-schrijver is een minderwaardige schrijver. Zolang die persoon echter meent dezelfde aanspreektitels te verdienen, is het zaak om ze te kleineren, buiten te sluiten en tot paria te maken. Of je dumpt je buitenboordmotor, of je gaat je eigen plas zoeken. Maar je gaat geen stukken als Francis Esfandiari naar de Trouw sturen, je laat niet je roman inzenden voor een literaire prijs als Walter van den Berg. Die schrijvers zijn namelijk een tijdje terug al levenloos aangetroffen in een plas bloed, met op de trekker slechts hun eigen vingerafdrukken.

De suggestie van ‘Esfandiari’ – ik schrijf het tussen aanhalingstekens omdat ik niet kan weten of het de woorden van Francis Esfandiari zijn of Claude – om in haar nog te verschijnen boek mede te delen dat ze van AI gebruik heeft gemaakt, juich ik dan ook van harte toe. ‘AI hielp mij om hierover na te denken’, wil ze voorin plaatsen. Doe het, ‘Esfandiari’! Misschien wil je zelfs wel zo trots zijn om het op het omslag te zetten?

Martijn van Bruggen