Essay: Bart Slijper – Het bedrog van de Rijksdagbrand (3): Verontrustend weerzinwekkend
(Deel 1 van dit essay kun je hier lezen, deel 2 hier.)
Verontrustend weerzinwekkend
Maar de acties in Parijs en Londen werkten. Bij de opening van het proces in Leipzig, op 21 september 1933 om negen uur in de ochtend, wees de president van de rechtbank Wilhelm Bünger al meteen naar de opinievorming in het buitenland. ‘Men heeft vaak zijn best gedaan om vooruit te lopen op het resultaat van de nog zwevende procedure. Men mag echter niet met een vooropgezette mening ingrijpen in een dergelijk proces.’ Bünger formuleerde het hier nog omzichtig, maar het benadrukken van de leugenachtigheid van het Bruinboek en het tegenproces zou tijdens het proces, bizar genoeg, veel ruimte innemen. Het logische gevolg was dat de genazificeerde rechtbank en de aanklagers zich voor een afgeladen internationale perstribune in het defensief manoeuvreerden.[1]
Van de aangeklaagden wist maar één man hier goed van te profiteren. Uiteraard niet Van der Lubbe, die nauwelijks leek te snappen wat er aan de hand was, al evenmin Tanev of Popov, die geen Duits verstonden, en zelfs niet Torgler die, hoewel gewend om in het openbaar te spreken, nu te murw was om een hoofdrol te spelen. Maar Dimitrov, geslepen, welbespraakt en bovendien ook nog advocaat van zichzelf, nam voor hen de honneurs waar en had duidelijk een sardonisch plezier in het hele theater. ‘Ik ben hier om het communisme en mezelf te verdedigen,’ verklaarde hij op de eerste zittingsdag. En hoewel hij in de loop van het proces in totaal vijf keer uit de zaal zou worden verwijderd, lukte het hem steeds opnieuw het initiatief naar zich toe te trekken. Zoals de populaire krant Le Petit Parisien al op 24 september vaststelde: ‘Dimitrov antwoordt niet op vragen, hij valt aan.’[2]
Thomas Mann volgde het proces vanuit Küsnacht (nabij Zürich), waar hij eind september zijn intrek had genomen. Het had hem de afgelopen zomer, toen hij met andere ‘emigranten’ in het Zuid-Franse Sanary verbleef, grote moeite gekost om te werken en deze wanvertoning in zijn vaderland maakte het er niet makkelijker op. Op 29 september noteerde hij in zijn dagboek:
Na het avondeten las ik tal van kranten over het proces in Leipzig, dat wat betreft het raffinement van de voorbereiding enorm is overschat. Het verloop is vanuit het oogpunt van ‘staatspolitiek’ nogal jammerlijk, aangezien er geen enkel verband wordt aangetoond tussen de idiote hoofdverdachte en een geplande communistische revolutie. (…) Het is een typisch Duits proces, half verachtelijk, half ‘fatsoenlijk’: van halfslachtigheid tot en met volstrekte, werkelijk schreeuwende laagheid. Dat de waarheid niet aan het licht mag komen spreekt vanzelf, maar men zal haar ontwijken door toegevingen te doen aan het fatsoen.[3]
Je zou bijna medelijden gaan krijgen met de president van de rechtbank, die klem zat tussen de druk die de nazitop op hem uitoefende om de mannen veroordeeld te krijgen en de noodzaak om voor het oog van de wereld tenminste nog de schijn van fatsoen op te houden. Dat bleek gaandeweg een hopeloze missie, iets wat Dimitrov met leedvermaak constateerde: ‘U bent vandaag bijzonder nerveus, meneer de president. Ik weet niet waarom.’[4]
Verrassenderwijs verklaarde een portier van de Rijksdag, een zekere Hornemann, op 24 oktober voor de rechtbank dat hij op de middag van de brand iemand ‘in gebroken Duits’ had horen zeggen dat ‘de Rijksdag in de lucht kon vliegen’. Dit herinnerde hij zich na acht maanden opeens weer. De advocaat van Tanev en Popov wilde vervolgens weten of hij de Bulgaren op de dag van de brand in de Rijksdag had gezien.[5] ‘Slechts deze valt mij op, het komt mij voor dat deze gezegd heeft dat de Rijksdag in twintig minuten in de lucht zou kunnen vliegen,’ sprak Hornemann wijzend naar Dimitrov. ‘Hebt u mijn portret soms in de krant gezien,’ vroeg Dimitrov behulpzaam. Hij sprak prima Duits en was als gezegd op de dag van de brand in München, terwijl het overigens raadselachtig is dat de portier niet meteen alarm heeft geslagen. Na deze verbijsterend klungelige verklaring informeerde Dimitrov maar eens bij Hornemann wie hem dit alles had ingefluisterd. Waarop Bünger Dimitrov het woord ontnam. Zelfs voor de meest serieuze kranten was het proces vaak een bron van spot en vrolijkheid. Deze keer was er volop aandacht voor het onbedaarlijke gelach op de tribune en voor het feit dat Dimitrov zelf hartelijk meelachte. Hoewel hij eigenlijk niets meer mocht zeggen, feliciteerde hij Hornemann tot slot met zijn verklaring.[6]
De onnozelheid van de getuigen en ‘deskundigen’ was ook voor Mann verbazingwekkend. ‘Nieuwe krantenberichten over de verklaringen van de deskundigen, die in alle eenvoud de sensationeelste uitspraken doen over de onmogelijkheid dat Van der Lubbe de brand in zijn eentje heeft gesticht en over de zekerheid dat het voorbereidende werk al voor hem gedaan was. Dimitrov verklaart snijdend dat dit ook zijn overtuiging is,’ schreef hij op 23 oktober in zijn dagboek.[7] Van der Lubbe zelf zat ondertussen meestal diep voorovergebogen in het niets te staren.
Dimitrov viel aan door vragen te stellen. Een week eerder, op 16 oktober, besloot hij dat het tijd was om een taboe te doorbreken: ‘Is het mogelijk,’ vroeg hij aan een getuige die als elektricien in het Rijksdaggebouw had gewerkt, ‘dat de brandstichters door de onderaardse gang in de Rijksdag zijn gekomen?’[8] Alleen al omdat deze gang dus uitkwam in de ambtswoning van Göring (die inmiddels tot minister-president van Pruisen was benoemd), was iedere waarnemer benieuwd om hem te horen. Hij verscheen op 4 november – natuurlijk niet als verdachte, maar als getuige. In dit absurde rollenspel lukte het Dimitrov de rol van aanklager naar zich toe te trekken.
Het was al de 31ste zittingsdag van het zich eindeloos voortslepende proces, waarin al met al 254 getuigen en deskundigen werden gehoord, maar vandaag hoefde niemand zich te vervelen. Göring, die zich voor de gelegenheid in het uniform van de SA had gekleed, kreeg van Bünger een uur lang de ruimte om over het communistisch gevaar te oreren en uit te leggen dat zijn partij, of eigenlijk hijzelf, dankzij krachtdadig ingrijpen het land voor grote rampen had behoed. Maar op een gegeven moment vond Dimitrov het wel genoeg. Zou het ook kunnen, opperde hij, dat er door de eenzijdigheid van het onderzoek sporen zijn uitgewist die in de richting van een niet-communistische dader wijzen? Op de bewaarde beelden is te zien dat Göring vastberaden met zijn armen over elkaar geslagen, of ook wel wijdbeens met zijn handen in de zij, voor de rechtbank stond. ‘Meneer Dimitrov, maar het moet worden toegegeven dat, als het onderzoek zich in deze richting liet beïnvloeden, er slechts in de juiste richting is gezocht.’ Het is aannemelijk dat Görings perschef, die vooraf toch al zijn bedenkingen bij dit optreden had, na deze redenering de moed volledig in de schoenen zonk. En Dimitrov wilde best een beetje provoceren. Of het minister-president Göring bekend was dat de Sovjetunie – ‘het grootste en beste land ter wereld’ – met communistische denkbeelden geregeerd werd?

Göring: ‘Hoort u eens, ik zal u vertellen wat bij het Duitse volk bekend is. Bekend is bij het Duitse volk dat u zich schaamteloos gedraagt: u komt hierheen, steekt de Rijksdag in brand, om zich dan hier dergelijke brutaliteiten tegenover het Duitse volk te veroorloven. Ik ben niet hierheen gekomen om mij door u te laten aanklagen.’
Dimitrov: ‘U bent getuige!’
Göring: ‘In mijn ogen ben je een schurk, die allang aan de galg had moeten hangen.’
Dimitrov: ‘Heel goed, ik ben zeer tevreden.’
De vertwijfelde Bünger, die niets tegen de grofheden van Göring durfde in te brengen, probeerde Dimitrov vervolgens als een kind te sussen, waarop deze nog een tweede keer pontificaal meedeelde dat hij ‘zeer tevreden was met deze verklaring van de heer Göring’. Om escalatie te voorkomen legde Bünger hem daarna het zwijgen op en maande hem te gaan zitten, terwijl Dimitrov tegenwierp dat hij slechts zakelijke vragen wilde stellen.
Dimitrov: ‘Bent u bang voor mijn vragen, meneer de minister-president?’
Göring: ‘Jij zult bang zijn als ik je te pakken krijg, wanneer je deze rechtszaal uit bent, jij schurk!’[9]
Een paar dagen eerder maakte Thomas Mann in zijn dagboek gewag van ‘het totale gebrek aan geloofwaardigheid dat deze miserabele rechtbank accepteert om tot het vonnis te komen dat door een misdadig regime wordt geëist.’ Na nog een roddel uit de Völkischer Beobachter te hebben aangestipt (over Einstein en joodse vrouwen), noteerde hij moedeloos: ‘Het is hetzelfde, het is allemaal hetzelfde.’ Nu bleek dat het nog slechter kon, sloeg zijn stemming om in pure woede: ‘De kranten: Görings woeste optreden als getuige, de woordenwisseling met Dimitrov, en de scheldpartijen en brute bedreigingen die laatstgenoemde van deze beulsknecht te verduren kreeg – het is zo schokkend en verontrustend weerzinwekkend dat ik trilde van opwinding.’[10]
Propagandaminister Goebbels, die een aantal dagen later gehoord werd, was slim genoeg om zich waardig te gedragen, maar de schade die de ontspoorde Göring voor het oog van de wereldpers had aangericht viel niet te repareren. Zoals te voorzien was vond iedere onbevangen waarnemer dat de Duitse regering zichzelf ontmaskerd had en het zou publicitair gezien heel dom zijn om Görings moordfantasieën nu ook nog uit te voeren. Niettemin ontaarde de laatste zittingsdag, op 23 december, in doorzichtige nazipropaganda. De rechtbank bleef de redenering volgen dat hier sprake was van een communistische actie, die mislukt was door de aarzelende medewerking van de socialistische partij en vooral door het krachtige ingrijpen van de regering ‘die haar aandacht onmiddellijk na de machtsovername op deze kwestie had gericht’. Maar Torgler, Dimitrov, Popov en Tanev werden bij gebrek aan bewijs vrijgesproken – Van der Lubbe kreeg de doodstraf.[11]


Tijdens het proces drong zich al snel de vraag op of Van der Lubbe door de nazi’s was gedrogeerd: op de eerste zittingsdag stond hij nog rechtop, maar zoals door foto’s gedocumenteerd is, zakte hij elke dag meer in, zijn kin tegen zijn borst, en geregeld hing er een sliert snot uit zijn neus. Op de slotdag, toen zijn doodsvonnis werd voorgelezen, sukkelde hij in slaap. Terwijl hij kort na zijn arrestatie nog uitkeek naar de vlammende toespraak die hij voor de rechtbank zou kunnen houden, kwam er uiteindelijk nauwelijks een woord over zijn lippen. Na zijn executie hebben de nazi’s zijn lichaam niet vrijgegeven, waardoor er geen waterdicht bewijs kon worden geleverd, maar in een grote studie over de Rijksdagbrand (uit 2001) kennen de auteurs weinig twijfel. Het is trouwens niet gek om te denken dat Van der Lubbe ook op de dag van de brand gedrogeerd was. Maar na het, wat zijn zaak aangaat, belabberde onderzoek van de Londense enquêtecommissie, vestigden men in het buitenland zijn hoop op de vrijlating van de vier anderen. En Van der Lubbe was hoe dan ook niet te redden geweest.[12] Er is niemand die de schande van deze doodstraf mooier heeft verwoord dan Willem Elsschot in 1934.
Jongen, met je wankel hoofd
aan de beul vooruit beloofd,
toen je daar je lot verbeidde
stond ik wenend aan je zijde.De operette duurde lang:
van het wraakhof naar ’t gevang,
van ’t gevang weer naar het hof,
in de boeien van de mof.Veertig haarden dorst je ontsteken,
duizend haarden zou men wreken,
maar je beulen stonden paf
toen je zweeg tot in je graf.(…)
Holland vraagt nu onverdroten
of je niets werd ingespoten,
maar die vuige, laffe moord
vindt het minder ongehoord.Laat het stikken in zijn centen,
in zijn kaas en in zijn krenten,
in zijn helden, als daar zijn:
Tromp, De Ruyter en Piet Hein.Moog je geest in Leipzig spoken
tot die gruwel wordt gewroken,
tot je beulen, groot en klein,
door de Rus vernietigd zijn.[13]
Maar voordat het zover is moeten de drie Bulgaren en Torgler – al zijn ze dan ook vrijgesproken – nog zien te ontsnappen aan de nazi’s. Toen zij na ruim vijf weken nog steeds gevangen zaten besloot Rolland maar weer eens een vlammend protest te schrijven, dat op 10 februari 1934 in het tijdschrift Monde werd afgedrukt. Volgens zijn vaste gewoonte spaart hij ook zijn eigen land niet, waar hij spreekt van de machteloze politici in Frankrijk en Engeland, ‘die deelnemen aan de klucht van een eigenbelang dienende toenadering’ tot de leiders van het Duitse racisme. Hij besluit zijn stuk aldus:
Laat Duitsland niet denken dat het verachtelijke bedrog rond het vonnis – dat weliswaar werd uitgesproken maar in het geheim nietig werd verklaard – onopgemerkt zal blijven! Wij zullen het niet vergeten. Wij zullen het nooit vergeten.
Rechtens zijn Dimitrov, Torgler, Tanev en Popov vrije mannen. Maar desondanks houden Hitler, Göring en Goebbels hen gevangen. Wij stellen hen verantwoordelijk voor het leven van ieder van hen. Mocht een van hen in de gevangenis sterven, dan zal de wereld zeggen dat zij door Hitler, Göring en Goebbels vermoord zijn.[14]
Op 15 februari 1934 werd de drie Bulgaren door de Sovjet-Unie het staatsburgerschap toegekend, waarna de nazi’s zwichtten voor de druk die vanuit Moskou werd uitgeoefend om hen vrij te laten. De situatie van Torgler was, als leider van de Duitse communisten, veel moeilijker: hij werd tot in 1935 in ‘preventieve hechtenis’ genomen, waarna hij in Duitsland onderdook. In een laatste verwoede poging wraak op Dimitrov te nemen, nodigde de joviale Göring hem nog uit om te gaan jagen. Niets was hem inmiddels meer te gek en een jachtongeluk kan zomaar gebeuren. Maar in plaats hiervan vertrok Dimitrov eind februari met zijn twee landgenoten per vliegtuig naar Moskou.[15] Hij was er volkomen van overtuigd, zo sprak hij na aankomst de pers toe, dat ze hier niet hadden gestaan ‘zonder de bewonderenswaardige mobilisatie van de publieke opinie ten gunste van ons’.[16]
Eindelijk kunnen Dimitrov en Rolland elkaar vrijuit schrijven. ‘Uw geweldig moedige houding,’ schreef Rolland op 29 maart, ‘heeft meer bijgedragen aan uw redding dan al onze inspanningen.’[17] Het is een zienswijze die Dimitrov graag wil bestrijden. Pas nu kan hij werkelijk overzien met hoeveel energie en passie Rolland heeft ingegrepen, antwoordt hij op 24 april. ‘Uw actie heeft onze tegenstanders gedwongen om zich voor het eerst tegenover de publieke opinie te verantwoorden.’ En hij kan melden dat het hem dankzij Rolland, dwars door de gevangenismuren heen, duidelijk was geworden dat hij er niet alleen voor stond. Want de brief van Hoofdofficier van Justitie Werner, die Rolland vroeg het bewijsmateriaal naar Leipzig te sturen, had in alle nazikranten gestaan, waardoor Dimitrov wist dat er in het buitenland een onderzoek was ingesteld.[18]
De komende jaren zouden beide mannen geregeld contact houden. In november 1946 werd Dimitrov minister-president van Bulgarije, een functie die hij tot aan zijn dood op 2 juli 1949 vervulde.
Bart Slijper
[1] Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 128-130; zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 335-342. De gegevens in het uiteraard niet onpartijdige Bruinboek zijn voor mijn verhaal vergeleken met de krantenverslagen en de zeer uitvoerige reconstructie van Bahar en Kugel uit 2001.
[2] Geciteerd naar Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 178 en 192.
[3]Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934, p. 197-198.
[4] Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 202.
[5] Deze advocaat was de Duitser Paul Teichert, van wiens diensten Dimitrov geen gebruik wenste te maken.
[6] Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 191; De Banier. Staatkundig Gereformeerd Dagblad, 25 oktober 1933; Het Nieuws van den Dag, 25 oktober 1933.
[7] Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934, p. 231.
[8] Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 195-196.
[9] Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 388-394; zie ook Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 231-244.
[10] Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934, p. 239 en 242.
[11] Zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 395-396.
[12] Zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 463-506.
[13] Willem Elsschot, Verzameld werk, Amsterdam 1992, p. 762-763.
[14] Bratanov en Bratanov, Romain Rolland et la Bulgarie, bijlage 2, p. VI-VII.
[15] Zie Bratanov en Bratanov, Romain Rolland et la Bulgarie, p. 94-95.
[16] Dit gegeven dank ik aan Philippe Monneveux. Het interview met Dimitrov werd onder meer gepubliceerd in de Pravda van 28 februari 1934.
[17] Bratanov en Bratanov, Romain Rolland et la Bulgarie, bijlage 2, p. XII-XIII.
[18] Bibliothèque nationale de France, Département des manuscrits, Fonds Romain Rolland, NAF 28400.
(Foto’s van Göring en Van der Lubbe via Wikipedia, publiek domein, rechtenvrije foto Van der Lubbe in de rechtszaal via het Nationaal Archief)
