Over het zwijgen binnen families

De Duitse Judith Hermann heeft in haar verhalenbundels het verleden en de herinnering eerder gethematiseerd, maar heeft die nooit expliciet verbonden met haar familiegeschiedenis. In haar vorige boek, Kiezels (2024), kwam daar verandering in: de auteur schreef expliciet over haar familie, haar ouders, haar grootouders en het oorlogsverleden. In Ik zou graag teruggaan in de tijd gaat ze verder op die ingeslagen weg en zoekt ze, als lid van de derde generatie waarin de Holocaust blijft doorwerken, expliciet haar plaats in de Duitse herinneringsliteratuur: hoe gaan mensen om met een verleden dat ze zelf niet hebben meegemaakt?

Binnen de familie is ‘het een algemeen bekend geheim’ dat de grootvader van moederskant een SS-verleden heeft: de man was overtuigd nationaalsocialist en lid van de Waffen-SS. Hij was al gestorven toen Hermann werd geboren. Ook haar moeder heeft hem niet lang gekend, waardoor haar herinneringen aan haar vader altijd al tegenstrijdig en warrig waren. Wanneer haar moeder plots aan tijdelijk geheugenverlies lijdt, beseft Hermann bovendien dat er niet veel tijd meer is om vragen te stellen.

In het eerste deel van haar boek besluit Hermann op onderzoek te gaan. Ze vraagt haar grootvaders dossier op bij het Bundesarchiv en krijgt van haar moeder een kistje met foto’s en documenten. Vervolgens reist ze naar Radom in Polen, een kleine provinciestad waar haar grootvader tijdens de oorlog gestationeerd was. Tijdens haar verblijf belt ze elke avond met haar moeder om informatie los te krijgen. In Radom werd in 1942 een getto opgericht waarin 33.000 mensen werden opgesloten. Anderhalf jaar later werd het getto opgeheven en werden de Joden doodgeschoten of gedeporteerd naar Treblinka en Auschwitz. Naar alle waarschijnlijkheid heeft haar grootvader hieraan bijgedragen.

Uiteindelijk komt Hermann niet bijster veel te weten. Terugkeren naar het verleden blijkt onmogelijk omdat er geen sluitend verhaal kan worden verteld. Het verhaal blijft definitief onaf, maar het afronden ervan is niet het belangrijkste. Het gaat de auteur meer om het zwarte gat in het familieverhaal:

Mijn opa is geen literair personage. Hij is een lege ruimte, tegelijkertijd is hij het tegendeel, hij is een verschrikkelijke blinde vlek, het wil me niet lukken grip op hem te krijgen. Er is geen verhaal over hem, dus kan ik geen verhaal van hem maken.

Hoewel de auteur wel degelijk afreist naar Polen en historisch onderzoek doet, stelt ze zich ook de meest uiteenlopende vragen. Waarom censureert haar moeder zichzelf als ze over haar vader spreekt? Waarom heeft ze zelden over hem gesproken? Zijn herinneringen betrouwbaar? Wat heeft haar moeder onbewust verzonnen en wat heeft de auteur zelf toegevoegd? Moet alles met documenten gestaafd worden om waar te zijn? Wat kan je überhaupt uitdrukken, opschrijven, in een verhaal vatten? Het zijn thema’s die in haar vroegere werk ook al aan bod kwamen, maar niet werden verbonden met een zwarte familiegeschiedenis. Het is dan ook treffend dat Hermann op haar reis Het onvermogen om te rouwen van Alexander en Margarete Mitscherlich leest. Het boek gaat over de manier waarop West-Duitsland na 1945 omging met het naziverleden. Veel Duitsers rouwden niet en voelden geen schuld, maar verdrongen en ontkenden het verleden. Dat doet ook haar moeder. Ze adviseert haar dochter om zich niet druk te maken. En om niet overal literatuur van te maken.

Dit donkere verhaal wordt door de auteur verteld in haar bekende heldere en sobere taal. Ze schrijft zoals ze dat ook in Kiezels deed: gefragmenteerd. In het tweede en derde deel van het boek, waarin Hermann op bezoek is bij haar zus en vertelt over het tijdelijke verdwijnen van haar schoonouders, blijkt het thema telkens het zwijgen te zijn. Het onderwerp is dus niet zozeer haar grootvader, zoals Judith Hermann ook in een interview zei, maar wel haar moeder, het zwijgen en een woordeloos begrip binnen families.

Mijn winter in Radom had mijn beeld van mijn moeder veranderd. We waren van elkaar verwijderd geraakt, tegelijkertijd was ik iets over haar te weten gekomen, maar wat ik over haar te weten was gekomen kon ik niet benoemen, mijn moeder en ik waren, dat was mijn indruk, een oxymoron, we waren zwijgend verdiept in een gesprek.

Met dit boek probeert Hermann in ieder geval niet zozeer het verleden sluitend te reconstrueren, maar onderzoekt ze wat het betekent wanneer dat verleden binnen een familie grotendeels onbesproken is gebleven.

Kris Velter

Judith Hermann – Ik zou graag teruggaan in de tijd. Vertaald door Herman Vinckers. 160 blz. € 23,99.