Recensie: Natalia Ginzburg – Beste Michele
Stuurloze revolutionair
Italië in de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw, de beruchte Loden Jaren, met extreemrechtse en extreemlinkse terreur en voortdurende vrees voor staatsgrepen. Tijd ook van diepe armoede in grauwe steden. Tegen deze angstaanjagende achtergrond speelt zich een van Natalia Ginzburgs bekendste werken, Beste Michele (1973) af, waarvan nu een nieuwe vertaling door Jan van der Haar is verschenen. Leesbaar in het verlengde van haar magnum opus, het autobiografisch Familielexicon (1963).
Als Michele, zo’n jonge man die nog niet goed weet wat hij wil en met wie, plotseling de benen neemt, zijn familie in ontreddering achterlatend, begint het gepieker van Adriana, zijn moeder. Herkenbaar in de eerste brief van dit boek, dat wel veel brieven bevat, maar geen briefroman pur sang is. ‘Ik geloof niet dat je me komt feliciteren met mijn verjaardag, want ik geloof niet dat je er aan denkt’, schrijft ze, al snel bezorgd en moedeloos overtuigd dat er meer aan de hand is dan een uitstapje.
Het is het begin van korte, maar veelzeggende beschrijvingen van het leven van de achterblijvers, deels verhalend, deels in brieven aan Michele en elkaar. Mensen die allemaal wel een band met de verdwenen man hebben. Moeder Adriana dus, zus Angelica, Mara, een jonge vrouw die even tevoren een baby kreeg, die mogelijk van hem is, huisvriend Osvaldo, allen sappelend door het leven en dus in eerste instantie gericht op zichzelf, maar toch ook bezorgd om de geliefde verdwenene. Die op zijn beurt weinig blijk geeft van empathie voor de achterblijvers, vol als hij is van zijn nieuwe revolutionaire missie, waar hij desondanks nauwelijks in lijkt te geloven.
Met name moeder Adriana, gescheiden van haar man, die op zeker moment sterft, maar voor wiens uitvaart Michele ook niet terugkeert, geeft in haar brieven blijk van grote neerslachtigheid. Ze tracht Michele nog aan te spreken op zijn geweten, maar weet al bij voorbaat dat het geen zin heeft.
Zonder de revolutionaire groeperingen in het Italië van die tijd expliciet te noemen, weet Ginzburg duidelijk te maken hoe het toen ging. Veel stuurloze jongeren voelden zich op de een of andere manier aangesproken door het revolutionaire vuur en zochten aansluiting, zonder precies te weten om welke strijd het ging en waar ze aan begonnen. Michele past naadloos in dat format van slepende zelftwijfel en ongerichte actie. Zo meent hij, blijkt later, in Engeland een buitengewoon onaantrekkelijke, alcoholistische, maar zeer intelligente Amerikaanse communiste te moeten trouwen onder het mom dat hij altijd valt voor intelligentie. Een week later is het huwelijk al weer voorbij en schrijft hij bij nader inzien toch maar liever ‘een domme vrouw’ te willen ‘die geduldig en dom naar me luistert’.
Ginzburg veroordeelt niemand, zoals uit al haar werk blijkt, laat je als lezer alleen maar voelen dat veelal niet te beïnvloeden omstandigheden eenieders leven bepalen. Michele is welbeschouwd niet alleen op de vlucht voor politieke tegenstanders en de politie, maar misschien nog wel het meest voor zichzelf, de man die altijd maar wat aanrommelt. Bij de achterblijvers is dat nauwelijks anders. Iedereen beoordeelt en veroordeelt anderen vanwege gedrag, uiterlijk of niet nagekomen beloften en iedereen probeert in de eerste plaats beter te worden van schimmige handeltjes of onderling geritselde baantjes om zo het hoofd boven water te kunnen houden.
Dat het met Michele niet goed afloopt was te voorzien. Ginzburg roept in slechts tweehonderd bladzijden een wereld op zoals we die ook kennen uit films als van Fellini en Bertolucci, even poëtisch als dreigend. Waarin Adriana, de ‘mevrouw’, even gedesillusioneerd is over het bestaan als haar poetsvrouw Cloti:
Ze begon de bedden op te maken waarbij ze met immense weemoed de dekens wegtrok en in elk gebaar haar ontslagwens tot uiting bracht.
André Keikes
Natalia Ginzburg – Beste Michele. Vertaald door Jan van der Haar. Met voorwoord van Claire-Louise Bennett. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. 224 blz. € 24,99.

