Recensie: Detlev van Heest – Dit was het
Spartelen als een drenkeling in oude teksten
Detlev van Heest houdt, zoals zijn grote voorbeeld Han Voskuil, dwangmatig zijn dagboek bij. Vaak tot ongenoegen van de mensen om hem heen, want ook gesprekken schrijft hij direct op:
Ik geloof er heilig in dat je verder komt als je je waarnemingen op (bijna) dagelijkse basis op papier zet. Het helpt ook als je samen met je liefdespartner hardop denkt. […] Ik heb dat wel eens huwelijksdialectiek genoemd: dialogen vol wrijving met de vrouw die je hart en je hoofd steelt. Je leert er vrijer door denken en vrijer door argumenteren. Je stechelt en daagt uit, en wie weet sla je over en weer op een nieuwe manier een bres in denkpatronen en in zekerheden.
Die dagboeken en gesprekken vormen de bron voor zijn sterk autobiografische literaire werk. Van Heest publiceert als vulkaanuitbarstingen. De eerste drie boeken verschenen snel achter elkaar: het tweeluik De verzopen katten en de Hollander (2010) en Pleun (2010) en Het verdronken land. Terug naar Japan (2011). Ruim tien jaar later kwam het tweeluik Parkeren in Hilversum (2024) en De resten van een mens (2025) over zijn tijd als parkeerwachter. En nu is er al Dit was het, dat in een moordend schrijftempo lijkt te zijn opgeschreven:
Er moet een goede verklaring zijn waarom ik niet kan ophouden met schrijven als ik eenmaal op dreef ben. Ik heb ook tijden, soms jaren, waarin ik geen enkele aandrift voel de pen op papier te zetten. Het zijn periodes waarin ik aan alles twijfel, waarin ik weet dat ik niets te zeggen heb en wet dat wat ik schrijf altijd op hetzelfde neerkomt. Maar als ik eenmaal schrijf bestaat er geen uitstel, dan moet alles onverwijld opgeschreven worden. Zolang ik denken kan, ben ik bang dat ik halverwege een zin in elkaar zal storten. Dat ik mijn laatste woorden niet af kan maken. Het is een neurotische vrees om iets onaf achter te laten, hoe klein en onbeduidend ik en mijn woorden ook zijn.
In deze zesde roman kijkt Detlev van Heest opnieuw terug op zijn leven. Dit keer vanuit een comfortabele positie, innig gelukkig met zijn Mirjam. Van Heest ontmoette Mirjam [Lucassen] toen hij haar interviewde in verband met zijn editie van de dagboeken van zijn vriend Han Voskuil. Deze tweede grote liefde ontlokt hem melancholieke bespiegelingen over zijn eerste huwelijk met ‘Annelotte’.
Zo’n dertig jaar geleden werkte Annelotte hard in haar eigen bloemenbedrijf in Tokio. Van Heest zou moeten werken als freelancejournalist voor Trouw en Elsevier, maar had daar steeds minder zin in. Hij zat thuis, aaide de kat Kootje en fietste naar Japanse les bij mevrouw Yamada, die vooral over haar echtgenoot klaagde. Al op de eerste pagina komen Annelottes vruchtbaarheidsproblemen ter sprake: ‘De onvrede over mijzelf is zo groot dat ik het geslacht waarvan ik de laatste mannelijke telg ben redelijkerwijs zou moeten laten uitsterven, maar mijn echtgenote en ik hebben een kinderwens.’ Het verdriet over het mislukte ivf-traject beschrijft Van Heest niet nadrukkelijk, maar daardoor des te pregnanter: ‘Tegenover haar eenzaamheid kan ik alleen mijn eigen eenzaamheid stellen.’ Na een eveneens mislukte emigratie naar Nieuw-Zeeland, bleek het huwelijk niet te redden. Annelotte vond haar geluk bij een stuntman en Van Heest werd een fanatieke en narrige parkeerwachter in Hilversum.
Heeft het editeren van Voskuils dagboeken Van Heests schrijfproces veranderd? In tegenstelling tot de eerste vijf romans, die uit een min of meer chronologische serie gebeurtenissen bestaan, onderbreekt Van Heest in Dit was het de scenes uit het huwelijk met korte reflecties. Gravend in zijn oude teksten komt hij tot nieuwe inzichten. Hij kijkt met meer deernis terug op zichzelf en zijn Annelotte: ‘Je blijkt nog van je eerste liefde te houden als je in je oude teksten leest hoe ze je tientallen jaren in de luwte hield en ervoor zorgde dat je je verstand niet verloor.’ Zijn nieuwe liefde voor Mirjam maakt Van Heest melancholiek: ‘Sinds ik weet dat mijn grote liefde bestaat, vraag ik me bijna neurotisch af hoe ik haar eerder had kunnen vinden, waar en wanneer.’ En dus spartelt hij ‘als een drenkeling’ in zijn dagboekaantekeningen, concluderend dat hij in Japan ‘alles verkeerd’ heeft gedaan. Hij onderzoekt ook de relatie van zijn ouders met nieuwe, mildere ogen. Over zijn verknipte Duitse familie blijft hij echter even genadeloos kritisch.
Wie Van Heests vijf eerdere romans las, herkent in Dit was het plaatsen, gebeurtenissen en mensen uit zijn leven zoals buurvrouw Suzuki en zijn irritante schoonouders. Dat maakt het lezen van Dit was het nog verslavender, vond ik. Maar ook als dit je eerste Van Heest is, kun je genieten van de geweldige dialogen, de wonderlijke personages en de wrange (zelf)spot. De hypochondrische terzijdes – hij staat doodsangsten uit op de boot naar een aardbevingsgebied – en het gejeremieer over zijn onaangepaste zussen, zijn even geestig als pijnlijk. De titel zou erop kunnen wijzen dat Van Heest met dit boek zijn autobiografische oeuvre afsluit. Ik gun hem van harte zijn geluk met Mirjam, maar ik zou het jammer vinden als dit het was.
Petra Teunissen
Detlev van Heest – Dit was het. Van Oorschot, Amsterdam. 235 blz. € 23,99.
