Een vaas die letterlijk stukvalt

Ik heb Lucas Rijneveld altijd bewonderd om zijn mooie taal en zijn beeldend vermogen. Daar is in zijn nieuwe bundel Als zee uit hond weinig van over. De stilistische rijkdom en oorspronkelijke beelden waarmee Rijneveld mij in zijn eerdere werk wist te verrassen, hebben plaatsgemaakt voor clichés: jagers die hazen achtervolgen, vazen die stukvallen, ezelsoren die gevouwen worden, hielen die gelicht worden, schouders die hangen en hemellichamen die naar beneden tuimelen. Ook de neologismen vind ik flauw: matraszacht, geboortekrib, alleendier, negeerdier, twijfelaarsbestaan, vluchtlucht, mildheidsverdrag. Veel gedichten hebben bovendien een letterlijkheid die je tegenwoordig vaak tegenkomt bij jonge dichters. Ester Naomi Perquin sprak eerder over dit fenomeen in haar Kees Fens-lezing.

Rijneveld is echter geen beginnende dichter. Hij publiceert al ruim elf jaar poëzie. Zijn eerste twee bundels, Kalfsvlies (2015) en Fantoommerrie (2019), zijn verpletterend goed en origineel. En ook Komijnsplitsers (2022), dat ik op Neerlandistiek besprak, is een sterke bundel. Vooral de gedichten in Kalfsvlies (bekroond met de C. Buddingh’-prijs) en Fantoommerrie (winnaar van de Ida Gerhardt Poëzieprijs) lieten zich niet gemakkelijk doorgronden, maar wisten je onmiddellijk te boeien door wat er gebeurde, de verrassende woordkeuze en de bijzondere beeldspraak. De letterlijkheid waarvan Rijneveld zich nu bedient, maken zijn gedichten oppervlakkig en soms ronduit jolig:

Scheppertje, ik wil U iets vragen, van jochie tot
Jochie, van nachtbraker tot Nachtwaker
[…]
Geef mij ook de
moed om weer te zingen, van je Gloria en Hoger
dan de blauwe luchten, desnoods iets van ABBA
zolang ik maar kwinkeleer

Als zee uit hond bevat ook enkele ronduit lelijke gedichten. Neem ‘Dwaalster’: 

Op mijn rug te grasliggen onder het nachtruim, 
tuimelde er ineens een hemellichaam naar 
beneden, van je kaboem! en wat lichtflitsen. 
Ik snel wensen wat er te wensen viel: knorrende 
magen zijn uit den boze en de oorlog wordt 
tijdens een potje pingpongen bedongen. 
Geen vechthuwelijken tussen mens en dier, 
geen lettervermicelli in de soep meer! 
Ik kneep mijn ogen stijf dicht en dacht ook 
nog dit: alleen maar hele borrelnootjes in 
een zakje, een boekenkast die zichzelf ordent, 
bomen die de klimaatmars meelopen, 
en ieder gebed, mits goed van aard, wordt 
verhoord. Dat zou zo mooi wezen, om dan als 
laatst te wensen: nooit meer mezelf vrezen. 

Ook ‘Hermelijnkoorts’ vind ik tenenkrommend lelijk: 

Als onderdaan van mijn enige contactpersoon,  
zie ik in ieder grillig weggaan een patroon.  
Wanneer ik mijn hielen licht en je uit het oog  
verlies, vul ik mijzelf met weersverwachtingen,  
bemest met hangende schouders de boerenkoolplanten,  
roep sodemieter op naar de koperwormen.  
Ik word aangevreten door de larven der verlating, 
ik ben een bladgewas dat richting aarde groeit,  
richting graf. In een droom zie ik je op de troon zitten,  
wat als verlies onderdeel is van mijn grondverbetering?  
Wat als de troon inwisselbaar blijkt en de rede vatbaar  
voor vleierij, voor weerloos gesmeek?  
Wat ik doe: wachten tot de dooi intreedt. 

Vanzelfsprekend geldt niet voor alle hedendaagse dichters dat zij letterlijk schrijven. Ik las de afgelopen twee jaar een aantal bijzonder goede debuutbundels zoals Ons gaan allemaal van Benzokarim, verblijf van Yasmin Namavar en Brand lieverd brand van Asmae Amaddaou. Deze dichters moeten zich natuurlijk nog verder bewijzen. Rijneveld overtuigde mij drie bundels en twee romans lang volkomen. Met Als zee uit hond zet hij een stap terug die ik niet zag aankomen. De stilistische regressie is opmerkelijk voor een dichter die zich juist door zijn originele taalgebruik onderscheidde. 

‘Een gedicht bloedt niet als je er een mes in steekt, het lijdt geen pijn en heeft geen therapie nodig als jij er klaar mee bent. Een gedicht is een ontmoeting tussen mens en taal’, zei Ester Naomi Perquin in een interview in de Volkskrant naar aanleiding van haar Kees Fens-lezing. Toch doet het schrijven van deze kritische recensie mij wel pijn, omdat ik zo van Rijnevelds werk houd. 
Wat ik doe: wachten tot er weer een mooie bundel van Rijneveld verschijnt. 

Marie-José Klaver

Lucas Rijneveld – Als zee uit hond. Atlas Contact, Amsterdam. 64 blz. € 22,99.

Lees ook de recensie van Dietske Geerlings en die van Coen Peppelenbos op Tzum.
Deze recensie verscheen eerder op Neerlandistiek.