Een spiegelexplosief

Midden in de week van de diversiteit las ik in één ademteug In goede en kwade dagen van Stefan Brijs uit, nog op dezelfde middag als dat het op mijn deurmat viel. Dit boek wist niet alleen voor te kruipen op de stapel die nog op mijn bureau aan het wachten was, maar liet ook blijvende schade achter, het soort litteken waar ik er niet genoeg van kan dragen.

Natuurlijk was het eerst My Parents, het prachtige schilderij van David Hockney, dat op de voorkant prijkt: een nogal beklemmend huiselijk tafereel van een vader, gebogen over een krant of tijdschrift en een moeder, stijfjes rechtop in haar stoel, de handen in haar schoot. Je wilt gewoon weten welk verhaal hierachter schuilt, ook al weet je dat het verhaal van Brijs niet per se dat achter Hockneys schilderij is.

Bovendien was er Brijs’ reputatie. Hij schreef onder andere De engelenmaker, Post voor mevrouw Bromley en Maan en zon, stuk voor stuk meeslepende verhalen in een prachtige, ingetogen stijl. In alle drie wilde ik nog een poosje blijven, nadat ik ze uit had. Zoiets smaakt naar meer.

Maar uiteindelijk moet het boek het toch zelf doen, los van de kaft, los van de goede naam, en dan heb je de eerste drie zinnen na de twee motto’s: ‘Vanavond heeft mijn moeder het huis verlaten. Ze woog geen veertig kilo meer. De dood stond lang te dralen bij de voordeur en is uiteindelijk met zachte dwang naar binnen geleid.’ Ik geef toe dat ik een lichte obsessie heb voor boeken over de dood, maar hoe Brijs deze in zijn boek heeft binnengelaten, is nogal overrompelend.

Het is of hij zijn pen gedoopt heeft in het huwelijk van zijn ouders, alsof hun beperkte spraakzaamheid gespiegeld wordt in zijn bondige stijl, maar waar zijn vader soms niet verder komt dan een stukje zin – ‘Ze… Ze is… Ze heeft… Is…’ – legt Brijs in zijn spaarzame taal juist precies de vinger op de zere plek: ‘Zijn taal was nog niet klaar voor de mededeling die hij de volgende dagen vaker zou moeten doen.’ Brijs ontleedt de stilte tussen de woorden van zijn vader, als deze niet verder komt dan ‘Ze is’:

De wanhoop vertekende zijn gezicht. Welke woorden gingen er door hem heen? Overleden? Gestorven? Heengegaan? Vertrokken? Ingeslapen? Zoveel mogelijkheden om niet dat ene woord ‘dood’ te hoeven gebruiken. Toen zei hij: ‘Ze is niet meer.’

Meesterlijk laat hij zijn vader de zin alsnog afmaken in een eigen constructie, die de zoon nog niet als mogelijkheid had gedacht. Daarin ligt zoveel zeggingskracht: de onverbeterlijke eigenzinnigheid van de vader, die ondanks zijn onmacht bij het overlijden van zijn vrouw, standhoudt, maar ook de afstand tussen het kind en de vader. Het kind zoekt in gedachten liefdevol, gefrustreerd, machteloos, wanhopig, nieuwsgierig, spottend, of wat dan ook – want de lezer kan dit zelf invullen – de taal voor zijn vaders stilte, zonder deze uiteindelijk te kunnen grijpen.

In deze kleine roman beschrijft Brijs de tijd vlak na de dood van zijn moeder, en in die korte tijd, waarin vooral heel veel geregeld moet worden, komt in hoge concentratie het huwelijk van zijn ouders bovendrijven in alle gewoonten en in alle gewoonheid. Dit portret is uniek: deze vader en deze moeder zijn uit gewapend beton gehouwen. Ook doet het me denken aan hoe een ambachtelijke slager zijn vlees fileert: met vakkundige precisie én – hoe gruwelijk ook – zó liefdevol. Je kunt je afvragen: waarom dood je dat dier als je er zo van houdt, maar dat is nu juist het wonder. Je kijkt ernaar en denkt: wat gebeurt hier?

En hoe uniek dit portret ook is – want daarom had ik het over de week van de diversiteit: hoeveel verschillende samenlevingsvormen zijn er wel niet mogelijk? – het is tóch universeel. Brijs weet de omgang tussen de twee echtelieden zo tastbaar te maken in al die kleine routines dat iedere lezer die probleemloos kan vervangen door die van zijn eigen ouders, of die van zichzelf:

Ik bewonderde hem om zijn kracht, terwijl ik me schuldig voelde omdat ik mijn ouderlijk huis voor de nacht ontvluchtte.
‘Ik zal broodjes meebrengen voor het ontbijt,’ stelde ik voor om mijn geweten te sussen.
Het was zondag en op die dag van de week had hij de gewoonte om vroeg in de ochtend verse broodjes te halen.
Mijn voorstel werd in dank aanvaard en meteen kreeg ik instructies mee. Ik moest naar díé specifieke bakker gaan, op precies dát uur – ‘Anders moet ge veel te lang wachten’ – en hij wilde de broodjes hebben die hij altijd nam: twee kampioentjes.
‘En voor mama bracht ik altijd één croissant en één bruin pistolet mee,’ besloot hij met weemoed in zijn stem.
Zijn hele leven moest herberekend worden.

De spiegel is niet vrijblijvend, niet zonder risico’s, je wordt er meedogenloos in meegezogen. En net als je probeert te berusten in de volstrekte willekeur van een mensenleven en de onherroepelijke verwijdering tussen twee echtelieden, blijkt de spiegel op de laatste bladzijde een explosief in zich te bergen, in de vorm van een droom.

Dietske Geerlings

Stefan Brijs – In goede en kwade dagen. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam. 128 blz. € 21,99.