Recensie: Rogi Wieg – Ik heb moeite met me te vergissen
De tederheid van de taal
Rogi Wieg (1962 – 2015) was zogezegd in de wieg gelegd voor een getergd, romantisch leven, voor de beroering, de verwondering. In Ik heb moeite met me te vergissen heeft Arjan Peters een laatste interview met Wieg opgenomen uit de Volkskrant in 2015, een geestig dankwoord bij het ontvangen van de Van der Hoogtprijs in 1987 voor de ‘officiële debuutbundel’ Toverdraad van dagverdrijf, waarin Wieg met een enkele zin zijn poëtica samenvat: ‘Het maken van gedichten is een oproepen en concentreren van emoties, van muziek, ritme, van herinneringen. Het is tevens een vorm van bezwering, want door de taal maak je je het leven eigen en misschien ook wel de dood.’
In dit dankwoord, een voorbode als het ware, de hoop op een catharsis, spreekt Wieg over een zekere tevredenheid met het bestaan. Een langzame vordering. Bij het schrijven van zijn debuutbundel is hij vaak ontroerd geweest, soms zelf kalm, opgewekt. I
k vind ook dat ik erg blij mag zijn dat ik ben zoals ik ben, het zit vooral in mijn chromosomen en niet in mijn houding tegenover het bestaan. Mijn houding die ik op verkeerde momenten heb aangeleerd, zal in de toekomst moeten veranderen, wil ik ooit in de poëzie ver komen. Ik denk dat je uiteindelijk het leven lief moet hebben en je overmatig romantische, angstige mantel moet afwerpen.
Och arme. Het liep allemaal anders. Een gekweld leven waaraan, nadat euthanasie was toegestaan, na veel tumult in de laatste dagen, een einde kwam. Het leeuwendeel van de inhoud van Ik heb moeite met me te vergissen ( Een Cruijffiaanse uitspraak overigens) bestaat uit de bijzonder originele literatuurkritieken die in de jaren negentig van de hand van Wieg in Het Parool verschenen. Wieg is sterk associatief, analyseert het werk van derden met veel verve. Helder ook. Hij geeft een andere kijk op het werk van Mulisch, op het imago: ‘Geef mij maar Harry Mulisch. Mulisch maakt ongetwijfeld veel fouten; hij denkt echter autonoom en onbevangen na. Ik ontdek in zijn werk altijd wel iets waarvan ik kan zeggen: hé dat is mooi bedacht.’
Dat is iets dat net zo goed geldt voor Wieg zelf. De helaasheid der dingen. Dichters, schrijvers maken geen eeuwigheid. ‘De dichter maakt het ene tijdelijke uit het andere tijdelijke.’ Bij grootmeester Gerrit Kouwenaar, wiens werk vaak kapot geanalyseerd is, houdt Wieg het hemeltergend mooi simpel. De werking van de tijd gecombineerd met een haast wurgende ontroering. De ontroering die bij Wieg centraal staat. Die bij hem ook teweeg kan worden gebracht door de ogenschijnlijk lichtheid, de herkenbaarheid van Jules Deelder.
Wieg fileert zonder mededogen daarnaast gebabbel van breedsprakige middelmatige talenten. De ‘allerveiligste gedichten’ van T. van Deel bijvoorbeeld. Hij zet de herfst op zich even op z’n plaats als ‘smoes’ voor fijn werk over de vergankelijkheid, soms schrijven dichters hun melancholische herfstverzen midden in de zomer op een terras, genietend van drankjes op kosten van de uitgeverij. Wieg geeft inzicht in de ‘beheerste ongekunsteldheid’ van good old Adriaan Morriën, bezingt gelukkigerwijs Nachoem Wijnberg en Esther Jansma.
Veel hedendaagse schrijvers willen de wereld in een notendop vangen. Maar hun notendop doet mij meestal denken aan een reuzentent die wankel in de wind staat. De echte wereld in een notendop is het werk van dichters.
De ‘recensies’ van Wieg zijn heerlijke zelfbespiegelingen. Ik heb moeite met me te vergissen – in de titel zit zijn bitterzoetheid besloten – hoort in dat kader nadrukkelijk tot zijn proza-oeuvre. En valt te lezen als een addendum op zijn eigen verskunst. Het ‘terloopse’ karakter, de persoonlijke noot van de stukken geeft de inhoud, de soms niet malse mening, extra kracht. Terecht merkt Peters op dat Wieg probeerde te ontsnappen aan zichzelf, maar zich er tegelijkertijd ook bewust van was dat zijn kapitaal in de artistieke zelfanalyse lag.
Er is een keuze uit het schilderwerk van Wieg opgenomen. Een doek volgens de signatuur geschilderd tijdens een verblijf in de Valeriuskliniek. Een kruis met een heiligenfiguur met daarbij in blokletters her en der wat tekst: ‘Red me engel. Red me.’ En ‘In uw handen’. Ondraaglijk geestelijk lijden dat evenwel tot diep doorleefd literair werk heeft geleid.
De begrafenis van Rogi Wieg was bijzonder. Met veel muziek, een Hongaarse prediker, speeches. Hetgeen nadien bij het graf nog eens dik werd overgedaan. Zangeres Mathilde Santing vroeg na afloop naar de connectie met de overledene. Ik hield me op de vlakte, zei dat het met muziek te maken had, dat ik al van jongs af aan drumde. Als ‘bewijs’ diende ik in haar nabijgelegen studio een drumstel in elkaar te zetten. De publicatie van Begon haar dood als klaproos (1983) hield ik voor me. (Een van de zes bundels die verscheen voor wat in het interview ‘het officiële debuut’ heet. Een soortement diskwalificatie?)
Het moet gezegd dat het bezoeken van onder meer A punt Moonen, Frans Pointl en Rogi Wieg op een en dezelfde dag in die jaren niet bepaald bijdroeg aan je eigen mentale evenwicht. Tot mijn schande ben ik bij het zien van Rogi die binnen een paar uur weer de straat inliep ook weleens onder mijn bureau weggedoken. Het pand in de Amsterdamse Tweede Weteringdwarsstraat neigde sterk naar voren waardoor je vanaf de eerste en enige nog overgebleven etage links en rechts mensen kon zien aankomen.
Een zekere pathetiek en drammerigheid was Wieg niet vreemd, maar de gekweldheid was echt. Uiteindelijk ontroert hij alsnog weer door zijn verwondering over de tederheid van de taal. Heel toepasselijk, heel gelukkig, een toevalstreffer aldus de uitgever, is het omslag voorzien van een bijna fluweelachtige zachte coating.
Ik heb moeite met me te vergissen brengt je terug naar een bijzondere tijd toen de wereld nog meer door literatuur doordesemd was. Ach, wat een gemis. Zeg collega kleine uitgever Frank Fragment, zullen we dan gezamenlijk een mooie editie met stofomslag maken van de verzamelde gedichten van Wieg als de grote jongens dat niet aandurven?
Guus Bauer
Ik heb moeite met me te vergissen – Poëziebeschouwingen van Rogi Wieg. Gekozen en ingeleid door Arjan Peters. Fragment, Leiden. 62 blz. € 22,50.
