Jan Willem en andere katten

In tegenstelling tot het mensdom, dat veelal zuchtend en zwoegend door het leven gaat, geven katten de indruk alles onder controle te hebben. Ze vormen de perfecte tegenvoeters van de protagonisten in de boeken van Mensje van Keulen, die dit jaar 75 is geworden en haar vijftigjarig schrijverschap viert. Deze heuglijke feiten worden door twee uitgevers gememoreerd. Atlas Contact bracht in Het kattentheater verhalen, gedichten, versjes en fragmenten van Van Keulen bijeen met katten in de hoofdrol en Sunny Home bundelde bijdragen van zes schrijvers over hun verhouding tot Mensje van Keulen in een door Martien Frijns fraai vormgegeven bibliofiel boekje: Mensje 75.

Het is een risico om één thema uit het oeuvre van een schrijver te isoleren. Het doet snel afbreuk aan de breedte van iemands totale werk. Katten zijn dan wel Mensje van Keulens grote liefde, maar in haar romans en verhalen zijn ze hooguit figuranten of, wat oneerbiedig gezegd, rekwisieten. Het kattentheater is als gevolg van dat geïsoleerde kattenthema een atypische bundel geworden die nauwelijks herinnert aan de romans en verhalen die Mensje van Keulen door de jaren schreef.

Natuurlijk zijn er wel onderdelen, waarin je onmiddellijk de hand van de schrijfster herkent, zoals het verhaal Donkere dagen uit de verhalenbundel Het andere gezicht (2003), waarmee het boek begint. De komst van kat Jan Willem, genoemd naar de overleden man van Doris, blijkt de splijtzwam in haar nieuwe relatie met buurman Frits Hartman. Gezamenlijke prettige kerstdagen zitten er niet meer in en Hartman heeft het er maar moeilijk mee. Hij is een herkenbaar Van Keulen-personage als zijn blik van de lambrisering naar de klerenkast glijdt ‘waarvan de deur openhing sinds hij de scharnieren gesmeerd had’.

In de spiegel aan de binnenzijde van de deur zag hij zichzelf in zijn pyjama. Als ik een zoon had gehad, dacht hij ineens, zou die er later zo uitzien. Dan zou ik nu dus naar mijn oude zoon kijken en met hem te doen hebben.

Het ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandse Boekverkopersbond geschreven verhaal Een Yorkshire kat (2007) beschrijft de zoektocht van Mensje van Keulen naar een vergeten tekst van Emily Brontë over een kat. Ook hier worstelt een verlaten man met het bestaan. Diens vrouw, Abigail, blijkt uitgerekend bij The Brontë Society te werken en uiteindelijk komt het kleine essay ‘Le chat’ boven water. De opvatting van Emily Brontë blijkt goed aan te sluiten bij Van Keulens eigen ideeën over de mens die zich ten onrechte zo superieur waant aan katten.

Het kattentheater is verder een speelse melange van tekeningen met tekst, zoals Tien stoute katjes met fijne tekeningen in retrosfeer van Jan Jutte, Notities uit een dagboek en een handvol kattengedichten met al even fraaie linosneden van Olivia Ettema. Mensje van Keulens gedichten, eerder olijke versjes, doen wel wat denken aan het speelse werk van Fritzi Harmsen van Beek of Charlotte Mutsaers, waarin ook geregeld dieren opgevoerd worden als mensje. Maar die laatste twee tekenden er zelf bij, dat doet Mensje van Keulen niet. Wel herinnert dit werk aan een vrijere, niet zo hyperperfectionistische tijd, waarin je als kunstenaar, schrijver of dichter gewoon eens wat kon uitproberen en wel merkte waar je uitkwam. Soms viel het resultaat bar tegen, maar er zijn zo toch ook nieuwe wegen gevonden, waar anderen later weer hun voordeel mee konden doen.

In deze uitgave staat de kat voorop en dat beperkte verplichte thema doet Mensje van Keulen als schrijver wel wat tekort. Mede-kattenvrienden kunnen veel van hun eigen gevoelens herkennen, bijvoorbeeld wanneer poes Kwadder plotseling zoek is, grinniken om de meligheid van de Poezenkrant of begripvol knikken bij het lezen over de dood en crematie van de innig geliefde Bobbie (‘Ik dacht hem in de tuin te verstrooien, of in het plantsoen, omdat hij, zoals Aldo zegt ‘dan toch een keertje voor op straat mag.’) Maar voor wie het om Mensje en haar literaire werk gaat en niet om de onuitputtelijke liefde voor haar lieve harige vriendjes, is deze uitgave waarschijnlijk wat te eenzijdig. Of zelfs onbegrijpelijk, als je ergens leest over de drang ‘zijn roze kraaltje achterop’ te zoenen.

Mensje 75 is het in een gelimiteerde oplage van slechts tweehonderd exemplaren uitgegeven bundeltje met bijdragen van vrienden. Barber van de Pol gebruikt de regelmatige wandeling naar de gymzaal voor een portret van een persoonlijke vriendschap, die toevallig ontstond (‘We zijn immers buren als je een stuk of veertig huizen en twee bochten wegdenkt.’) en natuurlijk ook de kattenliefde omvat, Kees van Kooten schreef 24 ‘haikoots’. Marja Pruis bezingt Mensje van Keulens overrompelende debuut Bleekers zomer, dat haar (onder meer) enkele zinnen aanreikte, die ze nooit meer vergat. Ook Niña Weijers begint over de kracht van de zinnen in Van Keulens werk, net als Maarten ’t Hart en René Appel, die zelfs een manmoedige poging doet een rationele verklaring te vinden voor de bijzonderheid van Van Keulens zinnen. Maar iedereen moet erkennen: die specifieke kernachtigheid, ga er maar aan staan, daar is geen eenduidige verklaring voor.

André Keikes

Mensje van Keulen – Het kattentheater. Atlas Contact, Amsterdam. 185 blz. € 19,99.

Barber van de Pol, Marja Pruis e.a. – Mensje 75. Sunny Home, Hengelo. 40 blz.

4