Hilarische sprookjes van de gebroeders Čapek

Karel en zijn broer Josef Čapek waren in de jonge republiek Tsjechoslowakije vooraanstaande kunstenaars tijdens het interbellum. Beiden hadden grote aanleg voor het schrijven, beiden hadden ook talent voor schilderkunst. Karel (1890-1938) ontwikkelde zich tot een groot romancier, maar illustreerde ook sommige van zijn eigen werken en ontdekte de mogelijkheden van de fotografie. Zijn broer Josef werd een belangrijk schilder, maakte naam als kubist, maar hij schreef ook enkele romans en kinderboekjes, en ook hij illustreerde menig werk. Beiden interesseerden zich voor primitieve kunst, beiden woonden in Praag in twee villa’s onder één kap, Karel was lang ongetrouwd had geen kinderen, Josef trouwde wel en had één dochter. En misschien lag daar in 1928 de aanleiding om zich ook met kinderliteratuur bezig te houden.

Zijn broer Karel schreef aan het begin van de jaren dertig drie artikelen over het sprookje, die hij eerst in de krant publiceerde die later gebundeld met andere essays in de bundel Marsyas (1931) verschenen. Hij staat hierin niet alleen stil bij de geschiedenis van het sprookje, maar heeft ook oog voor de structurele eigenschappen van dit genre: zowel wat betreft de opbouw van de handeling als wat betreft bepaalde constanten die in sprookjes (personages, toeval, raadsel en bovennatuurlijke wonderen) voorkomen en die daar typisch voor zijn. Hierbij noemt hij verder elementen als ‘hulp’ en ‘hindernissen’, wat doet denken aan de naoorlogse narratologie die zich vanuit Vladimir Propps Morfologie van het sprookje ontwikkelde. Deze studie verscheen in 1928, maar werd pas veel later vertaald, na de Tweede Wereldoorlog. Čapek zal daarom deze Russische folkloristische studie niet hebben gekend.

Afgezien van dit stramien dat herkenbaar achter de hilarische vertelkunst in 9 Sprookjes + 1 extra ten grondslag ligt, hebben de Čapeks ook een nieuw aspect aan het genre sprookje toegevoegd. Ze kozen er bewust voor de traditionele vorm te vernieuwen door er eigentijdse ‘burgerlijke’ elementen aan toe te voegen: er komen detectives (moderne helpers) in voor, een hoofdcommissaris van politie, een zwerver (Karel de Koning), een dokter (als protagonist) die een nimf moet genezen, een postbode (idem) die geholpen wordt door kabouters, enzovoort.

Na het romantische sprookje van de negentiende eeuw, waarin vooral de volksgeest naar voren treedt met zijn tovenaars, watermannen, nimfen etc., komt nu het ‘civiele‘ sprookje waarin deze traditionele elementen in een eigentijdse sociale context zijn vervat. Deze vernieuwende, botsende werelden hebben op zich al een humoristische werking, maar de echt hilarische momenten schuilen in de taalbehandeling van de Čapeks en van de vertaler Edgar de Bruin, die heerlijk losgaat op de door de auteurs geboden mogelijkheden.

De Bruin voegt er in zijn vertaling nog een dimensie aan toe door het heden ten dage misschien wat gezapig klinkende taalgebruik van toen speels in een modern expressief Nederlands jasje te steken met tussenwerpsels als: nou moe, gossiemijne, asjemenou etc. Een van Čapeks andere veel gebruikte kunstgrepen is het gebruik van ellenlange opsommingen van synoniemen, waarvan sommige echt zijn, maar vele andere voor de gelegenheid gemaakt, en dan kan De Bruin zijn talenten weer hierop botvieren en ontstaan er naast de komische scènes die elkaar in snel tempo afwisselen, ook in talig opzicht over elkaar heen buitelende komische vondsten.

Het oudste sprookje is ‘Het kattensprookje’ (1918/1932), dat traditioneel begint met: ‘Er was eens … in een ver land’ … een koning … een ongelukkige prinses, en zij krijgt ter vertroosting een kat, die door een tovenaar van haar wordt gestolen, maar die door een Engelse detective na een vlieg- en zeereis om de wereld uiteindelijk wordt teruggevonden. In dit sprookje komt de heerlijke opsomming voor van vrijwel eenlettergrepige uitroepen: pak hem, krab hem, ram hem, sla hem, bijt hem, mep hem, mol hem, dood hem, grijp hem, knevel hem, hier met hem. In een ander geval hebben de synoniemen alle dezelfde beginletter en dat over ettelijke regels verspreid.

Het volgende sprookje gaat over een hond, met als verklaring voor het feit dat een hond graag graaft: onder de grond ligt namelijk een oeroud hondenrijk verborgen, uit de tijd dat de hond het nog op aarde voor het zeggen had. Dit sprookje begint niet met ‘Er was eens’ maar is een verhaaltje met enkele wonderlijke zaken die de verteller van zijn grootvader heeft gehoord. Ook dit is een volgens Karel Čapek een gerechtvaardigde opening voor een sprookje. In dit sprookje is de hond protagonist. Dan volgt er een over vogels: met een vogelpapa en een vogelmama en vogels die wel kunnen praten, zij het alleen ‘s ochtends vroeg als de mensen nog slapen. Een gaat op reis, neemt zijn pyjama, tandenborstel en tennisracket mee…

Dan volgt het sprookje dat Josef heeft geschreven, een roverssprookje, ook weer gehoord van een overgrootopa zaliger. Alleen de namen van de rovers zijn al een bron van vermaak: Bandito met zijn liefje Kokette en verder vreeswekkende figuren als Keelsnijder, Grote Ploert, Bloedige Bert, Grijpgraag, Ritselaar, Dolkestein, Dynamiet en Gladde Janus. In plaats van tovenarij is hier een scène met een kolderieke vermomming van de rovers om te voorkomen dat de rovers worden herkend en ingerekend.

Verder is er nog een zwerverssprookje (met een opsomming van acht regels!), een politiesprookje, een tweede roverssprookje en een watermannensprookje. Over de waterman een kleine toelichting: het is een waterwezen uit de Tsjechische folklore dat traditioneel zijn paleis onder water heeft, graag onder bruggen of verscholen onder een boom zit te wachten tot iemand in het water valt, en wiens taak het is de zieltjes van verdronkenen te verzamelen en in potjes te bewaren. Hij heeft een groen pakje aan dat altijd druipt van het water. Bij Čapek zijn er allerlei types onder hen, bijvoorbeeld een ‘rijke kluivenduiker‘ […] ‘met geld als water’ die ‘in een auto rondscheurt’, maar ook ‘keuterwatermannetjes met een poeltje maatje postzegel’ als vaarwater.

Wat betreft het katten- en het hondensprookje bewees De Bruin al eerder zijn taalvirtuositeit in kinderverhalen van Karel Čapek: Dasja (Tsj. 1933) en Pudlenka (postuum na de oorlog gepubliceerd, maar ook in de jaren dertig geschreven), beide eveneens bij Voetnoot uitgebracht.

De uitvoering van het boek (hard cover, glanzend papier) is tevens een poging tot vernieuwing te noemen doordat vormgever Henrik Barend een eigen ontwerp lettertje gebruikte en het binnenwerk van zwart-witte schutbladen voorzag met het gestileerde nummer van het volgende hoofdstuk (helaas wat minder aansluitend bij het karakter van Josef Čapeks prachtige illustraties, waarvan enkele in kleur. Verder liet hij op sommige pagina’s overbodig wit staan door subhoofdstukjes op een nieuwe pagina te laten beginnen, wat enigszins verwarrend werkt. Ondanks deze smetjes is het geheel een prachtig boek geworden, zowel door de hilarische vertellingen als de fraaie uitvoering, met een pluim voor de vertaler.

Kees Mercks

Karel en Josef Čapek: 9 Sprookjes en 1 extra. Geïllustreerd door Josef Čapek. Uit het Tsjechisch vertaald en van een nawoord door Edgar de Bruin. Voetnoot, Amsterdam. 259 blz. € 24.