Nieuws: Bert Natter reageert niet meer op negatieve stukken over Aan het einde van de oorlog
Op Tzum verscheen een positieve recensie over Aan het einde van de oorlog. Maar vlak voor de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs schreef Martijn van Bruggen een column met de niet vleiende titel Aan het einde van de oorlog en kitsch en gisteren publiceerde Dietske Geerlings het essay Het verleden behoort toe aan de doden’ (Over Aan het einde van de oorlog) waarin ze kritische kanttekeningen plaatste bij de prijswinnende roman.
Op zijn eigen webpagina reageerde Bert Natter al eerder op kritiek op zijn werk. Dat deed hij ook op het stuk van Van Bruggen:
Ik heb natuurlijk met Martijn van Bruggen te doen, hij voelde zich immers verplicht een boek dat hem duidelijk niet bevalt helemaal uit te lezen, het onderwerp stond hem niet aan, het werd niet ‘leuk’ en niet ‘spannend’, hij kwam er niet doorheen, hij ergerde zich slechts. Het siert hem dat hij voor zijn mening gaf wel de moeite nam om het einde te halen. Dat wilde hij zelf: ‘Boeken moet ik namelijk van de eerste tot de laatste pagina lezen, ook als ze me niet bevallen.’ Voor mij had het niet gehoeven. Smijt mijn boek gewoon in een hoek als je er aan het eind van de flaptekst al geen zin meer in hebt. En schrijf dat desnoods op in je column.
En hij reageerde ook met een lang stuk op de kritiek van Dietske Geerlings
Om haar punt te maken roept Geerlings kortom de hulp in van overlevers van de Holocaust (of in dit geval van een vervolgde politieke tegenstander van de nazi’s), die hun getuigenissen hebben neergeschreven in literaire werken. Ze gebruikt citaten uit hun werk om in het geweer te komen tegen mijn in haar ogen weerzinwekkende boek, een boek dat haar getuigen nooit hebben gelezen, maar die wel door haar worden opgetrommeld als getuigen om haar weerzin te ondersteunen.
Dat is niet alleen ‘misschien niet eerlijk’ tegenover mij, maar ook niet tegenover die overlevenden.
Wie geschoren wordt, moet stilzitten is het motto voor schrijvers, maar Natter vindt dat hij zijn roman moet verdedigen tegen die stukken ‘omdat ik vind dat er flauwekul in wordt beweerd, of omdat de schrijvers ervan over mijn intenties beginnen, zonder mij daar naar te hebben gevraagd.’ Vandaag schrijft Natter dat hij er genoeg van heeft om te reageren op dat soort stukken:
De afgelopen tijd gaf ik daarom kritiek op een stuk van iemand die aan het eind van de flaptekst al had kunnen weten: niets voor mij, maar die zich desondanks anderhalve maand aan mijn boek is gaan ergeren. En op een stuk van iemand die helemaal geen fictie over de nazi-misdaden wil lezen, tenzij ze die zelf schrijft. Iemand die weet dat hij dikke boeken niet kan verstouwen en mijn dikke boek toch (g)een kans geeft.
Nu vind ik het mooi geweest, ik ga mijn welwillendheid laten varen en die stukken niet meer lezen.
