Recensie: E. du Perron & Elisabeth de Roos – Het strijdperk van de liefde
‘Deze brieven – bij gebrek aan jou – zijn mijn alles’
Ze waren negen jaar geliefden, maar schrijver Eddy du Perron (1899-1940) en literatuurcritica Elisabeth – Bep – de Roos (1903-1981) waren niet vaak in dezelfde ruimte. Dus schreven ze elkaar honderden brieven, kaartjes en telegrammen. Kees Snoek bundelde de epistels, met een voorbeeldige inleiding en annotatie, onder de titel: Het strijdperk van de liefde.
Het lezen van een briefwisseling is altijd een voyeuristisch genoegen. En zeker deze brieven, die bol staan van de intieme details over de schrijvers en dichters van het interbellum. Eddy du Perron was een van de voormannen van het beroemde tijdschrift Forum, dat veel invloed heeft gehad. Elisabeth de Roos was literatuur- en kunstcritica, gepromoveerd in de romaanse letteren. Ze schreef essays, zoals over A room of one’s own van Virginia Woolf in 1930. De eerste brieven gaan over Du Perrons pogingen om een baan voor De Roos te vinden.
Niet alleen hun literaire wetenswaardigheden zijn interessant, ze hadden ook allebei al ingewikkelde liefdesgeschiedenissen meegemaakt. Eddy was, toen hij Bep bij Forum-collega Menno ter Braak ontmoette, nog getrouwd met de dienstbode van zijn moeder, omdat hij haar bezwangerd had. De scheidingsperikelen beslaan vele pagina’s van de briefwisseling. De verwende Indische jongen Du Perron had kennelijk vooral seksuele ervaring gehad met vrouwen uit lagere sociale milieus: ‘Ik schijn bepaald mijn goede vrienden teleur testellen, als ik aardig kan omgaan met een ‘intellectueele vrouw”. Elisabeth daarentegen had enige tijd een relatie gehad met de dichter Marsman en met de regisseur Johan de Meester. Voor Eddy werd De Meester ‘het spook’ of ‘het fantoom’. Hij was geobsedeerd door de voormalige geliefde van zijn vrouw en had de behoefte om ‘alles goed te maken wat anderen mogen hebben misdaan’. Zijn lange gedachtenspinsels hierover leveren soms onnavolgbaar proza op, ontoegankelijk voor de lezer die niet Elisabeth de Roos is.
Snoek schrijft dat Elisabeth de Roos bijzonder gesteld was op haar privacy, die ze met zorg afschermde. Je vraagt je dan ook af, wat ze gevonden zou hebben van deze uitvoerige briefuitgave. Toch lijkt ze zelfs in deze hoogstpersoonlijke briefwisseling niet altijd het achterste van de tong te hebben laten zien. Hoe lief haar brieven ook zijn, zij lijkt Eddy, zeker in het begin van hun relatie, veel minder nodig te hebben dan hij haar. Hij schrijft haar: ‘je weet niet half hoezeer je me hebt gered.’ In de woorden van Snoek: ‘Eddy is [..] de sterke man, al was hij ondanks zijn stelligheden toch ook een onzekere, die zonder die ‘Ene’ ongelukkig zou zijn. Bep is de mild begrijpende, licht-ironische partner, die veel minder woorden nodig heeft dan haar man.’
Tegenpolen trekken elkaar aan, luidt het spreekwoord en dat geldt bij uitstek voor dit koppel. De ‘Angelsaksische’ De Roos verschilde als dag en nacht van de temperamentvolle Du Perron, de Latijn, die zich in zijn epistels aan haar blootgaf in bijwijlen overstelpend proza. Hij wist dat heel goed van zichzelf: ‘Je kunt me alles verwijten, desnoods dat ik je overlaad, je verpletter, je verveel – niet dat ik je vergeet.’ Hij noemt zijn overvloedige epistolaire energie zelfs een ‘ziekte’ en vraagt zich op papier af: ‘Zou een brief per week niet genoeg zijn?’ En met een literaire verwijzing:
Toen ik de brieven las van Keats aan Fanny Brawne vond ik ze onuitstaanbaar; altijd, als je met een rustig gemoed de brieven leest van iemand die heel erg verliefd is en er een volle uiting aan tracht te geven, krijg je een gevoel van: ‘nou, ik ben blij dat ik niet op die manier vervolgd werd!’ Ik zie mij zelf nu dikwijls precies zoo. Vervolgend; vervelend. Maar ik hoop tenslotte dat jij niet in die koele kritische stemming verkeert van den buitenstaander. Deze brieven – bij gebrek aan jou – zijn mijn alles.
Volgens Snoek, die ook een biografie over Du Perron schreef, toetste Du Perron zijn persoonlijkheid altijd aan die van anderen, vooral ook aan die van de vrouw op wie hij verliefd was. Dat deed hij in deze brieven, maar ook in de dagboekfragmenten die Snoek opneemt in de bundel. De kennismaking met Elisabeth de Roos verwerkte hij later in zijn bekendste roman Het land van herkomst.
Op 17 mei 1932 trouwden Du Perron en De Roos in Voorburg. De dag na hun thuiskomst van huwelijksreis naar Lugano moest hij alweer naar België en schrijft De Roos: ‘Ik voel me zóó verweduwd! […] het zal net lijken op de tijd toen jij maar sporadisch bij me was, en toch heel anders omdat ik voortdurend het gevoel met me omdraag dat mijn bestaan ergens anders ligt […] in ieder geval overal waar wij samen zijn, of zelfs waar wij samen zouden kunnen zijn.’ Op 8 april 1935 werd hun zoontje Alain geboren en komen de avonturen van ‘het Alijntje’ in de briefwisseling. Ze nemen hem eind 1936 mee naar Nederlands-Indië, waar ze een betere financiële basis hopen te vinden. Maar ook daar zijn ze lang niet altijd samen en dus schrijven ze elkaar. Op 12 augustus 1939 keren ze terug naar Nederland in verband met de oorlogsdreiging.
Vaak informeert De Roos naar Du Perrons ‘physieke toestand’. Al in december 1931 vertelt hij haar over zijn hartproblemen en zijn medicatie: ‘Wat heeft die digitalis toch een prachtuitwerking, zulke lieve roode pilletjes, als je er maar even naar kijkt!’ Die hij enkele dagen later weggooit… Ook in Indië had hij een ernstige aanval van angina pectoris. Op 14 mei 1940 kreeg hij een fatale hartkramp, vier dagen na het uitbreken van de oorlog en rond dezelfde tijd als Menno ter Braak, die suïcide pleegde. De Roos, nu echt verweduwd, zou haar geliefde meer dan veertig jaar overleven. Ze bewaarde hun correspondentie nauwgezet en ik hoop dat zijn brieven voor haar tot troost waren, al schreef ze zelf: ‘Maar Eddy, laten we toch niet bang hoeven worden voor woorden! We begrijpen elkaar toch; laten we dan niet aan het waanidee toegeven, dat bepaalde woorden ineens iets af zouden kunnen doen, of iets terug zouden kunnen nemen van het feit dat we van elkaar houden!’
Na het lezen van deze (liefdes)brieven bleef bij mij vooral een gevoel van bewondering voor en nieuwsgierigheid naar Elisabeth de Roos achter. Snoek schrijft over haar bescheidenheid, haar vermogen zichzelf zo nodig weg te cijferen ‘maar voortdurend in het besef van haar eigenwaarde en haar eigen persoonlijkheid’. De Roos’ leven met deze begaafde man moet een lastige balanceer-act geweest zijn. En dat geldt niet alleen voor haar, maar voor alle levenspartners van schrijvende mannen uit het interbellum. Sommigen hebben hun memoires opgeschreven, maar wie schrijft eens de (groeps)biografie van ‘de vrouwen van Forum’, zoals Ant Faber (Ter Braak), Aty Brunt (Greshoff) en Tonny van der Horst (Van Vriesland)?
Petra Teunissen
E. du Perron Elisabeth de Roos – Het strijdperk van de liefde. Briefwisseling, bezorgd en ingeleid door Kees Snoek. De Arbeiderspers, Amsterdam. 520 blz. € 32,99.
