Troost in het midden van de zin

Net als Het gebed van Jonathan Simmers, de eerste roman van Martijn Couwenhoven, doolt de dood ook rond in zijn nieuwe roman Leda in de regen, maar dan in een net weer iets andere gedaante. In de eerste richt Jonathan zich tot zijn dode moeder, omdat hij bescherming zoekt voor zijn halfzusje dat het liefst uit het leven zou stappen. In de nieuwe roman lijkt het net of Leda’s verongelukte moeder weer een beetje tot leven komt in de onbekende vrouw die op straat ligt, omdat ze onwel geworden is en aan wie Leda haar jas uitleent. In beide romans is de dood niet zozeer een afschrikwekkend einde, maar een voorzichtig en liefdevol begin van nieuwe verbintenissen. Dat maakt beide werken van Couwenhoven bijzonder troostrijk.

Heel fijnzinnig openbaart de auteur in deze roman hoe een mens het verlies van dierbaren met zich mee draagt als een blijvende wond. Leda was twaalf jaar toen haar beide ouders verongelukten en zij met haar broer en kleine zusje van de ene op de andere dag bij haar tante en oom werd ondergebracht. Ze probeert in haar fantasie te vluchten en dan komt ze een heel eind. Dat lange eind weet Couwenhoven in zijn stijl uitzonderlijk mooi tot uitdrukking te brengen, omdat de zin waarin de fantasie zich verder en verder ontvouwt, meer dan een bladzijde lang is. Als lezer voel je daardoor fysiek hoe ver je verwijderd raakt van de vaste grond. En dan komt de nieuwe zin:

Maar dan stopte de fantasie en verdween haar behoefte om weg te lopen, want er was maar één thuis, haar ouderlijk huis, een halfuur fietsen van haar oom en tante, een rechte weg van het ene dorp naar het andere tussen akker- en maisvelden door, langs haar oude Kleuterschool, De Kleine Beer, en de ernaast gelegen basisschool, De Grote Beer, en dan linksaf de wijk in, het laatste rijtje van vier huizen, het een-na-laatste huis.

Het is of er een veer langzaam wordt uitgetrokken en hij dan toch weer terugschiet naar de plek waar ze het liefst wil zijn: thuis bij haar vader en moeder, hoe onmogelijk dat ook is. Stijl en inhoud zijn ook in deze nieuwe roman bijzonder met elkaar verstrengeld. Dat zorgt ervoor dat je de roman niet alleen leest, maar daadwerkelijk beleeft en dat je erin zou willen blijven.

Er zit ook wel een spanning in op het niveau van de gebeurtenissen, maar die heb je niet nodig voor dit gevoel van betrokkenheid. Als nu, dertig jaar na het ongeluk van haar ouders, de ambulance met de onwel geworden vrouw wegrijdt, met Leda’s jas, blijft Leda verbouwereerd achter. Wat nu? Ze heeft geen gegevens van de vrouw om haar jas weer terug te krijgen. Als ze later terugkeert naar de plek, staat de fiets van de vrouw er nog. Daarin vindt ze een tas met daarin een sleutel met een label. Ze doet een poging in het ziekenhuis de vrouw te vinden, zodat ze de tas kan ruilen voor haar jas, maar het lukt niet en je merkt aan alles dat ze misschien wel helemaal niet wil dat het lukt. Ze besluit namelijk het adres van de vrouw op te zoeken aan de hand van het label. Hierin schuilt iets onwaarschijnlijks, maar dat is wat een schrijver zich kan veroorloven als hij zo meeslepend schrijft.

De auteur weet je namelijk niet alleen in het verdriet over het verlies te betrekken, maar ook in de natuur en het bos rondom het huis van de onbekende vrouw. Hij weet beide bovendien schitterend met elkaar te verbinden door de sneeuw. Leda rijdt namelijk door een flinke sneeuwbui en wordt daarin herinnerd aan het ongeluk van haar ouders. Verleden en heden grijpen in elkaar, als ze in het sneeuwlandschap oog in oog komt te staan met een wolf:

Ze keek naar haar schaduw, die bijna tot aan de wolf reikte, als ze haar arm omhoog zou doen, zou haar schaduw hem kunnen aanraken, maar dat deed ze niet, natuurlijk niet, geen onverwachte bewegingen maken, dacht ze. Het was stil in het bos, stiller dan voorheen, zo leek het, alsof de vogels zaten af te wachten wat er ging gebeuren, alsof ze vanuit de boomtoppen stilzwijgend naar de spoorlijn keken, naar de mens en het dier die daar in het licht van de lage herfstzon tegenover elkaar stonden, en Leda voelde geen dreiging, eerder berusting, ze hoorde de stem van haar vader, zover ze zich die nog kon herinneren, ze hoorde hem zoals ze hem dertig jaar geleden had opgeslagen, niet laag, niet hoog, niet schel, niet luid, en er zat altijd wel iets van opgewektheid in, ze probeerde met zijn stem en een citaat van Shakespeare de paniek op afstand te houden […]’

Ook hier zie je hoe het uitstellen van de punt de roerloze toestand van Leda en de wolf ondersteunt, alsof iedere stap kan leiden tot de dood, terwijl tegelijkertijd juist in dit moment een verbinding gelegd wordt met de overleden vader, door de herinnering.

Natuurlijk wil je weten of het haar lukt om het huis te vinden, om de deur te openen met de sleutel, wil je weten of de onbekende vrouw nog leeft, of ze terug zal komen naar het huis. En je wilt weten hoe Leda zich verhoudt tot de boswachter en de boswachter tot de oudere vrouw. Maar het ware genieten van deze roman zit in die prachtige zinnen waarin je wilt blijven. Die punt, die mag nog heel lang op zich laten wachten.

Dietske Geerlings

Martijn Couwenhoven – Leda in de regen. Thomas Rap, Amsterdam. 176 blz. € 21,99.