Essay: Dietske Geerlings – Het einde van de zin
Het einde van de zin
Wat is de zin van een zin? Wat gebeurt er met de betekenis als je het begin of einde van een zin gaat verschuiven? Het is opvallend hoe in de loop van de jaren leerlingen steeds minder houvast vinden in de zin als grammaticaal verschijnsel. Ik heb het dan niet over een individuele leerling, die in de loop van zijn of haar ontwikkeling minder houvast ervaart, maar over groepen leerlingen die elkaar opvolgen, alsof er ieder nieuw leerjaar gemiddeld minder leerlingen zijn die weten waar ze een zin moeten beginnen en eindigen. Concreet houdt dat in dat ik steeds meer essays van leerlingen tegenkom waar hoofdzinnen met of zonder komma eindeloos aan elkaar worden geplakt zonder uitzicht op de verlossende punt, of juist losstaande bijzinnen, waar de punt te vroeg is geplaatst. Hoe erg is dat en wie kunnen zij als voorbeeld nemen?
Het is eenvoudig om sociale media de schuld te geven: daar typen we met z’n allen tekst achter elkaar zonder leestekens. Dat is niet helemaal waar, dat verschilt per generatie, en de leestekens hebben daar soms een andere betekenis gekregen. Oudere generaties eindigen hun berichten vaak nog ‘netjes’ met een punt. Doet een jonger iemand dat, dan vindt de oudere ontvanger daar niets bijzonders aan, maar dan heeft de jongere ontvanger het idee dat de verzender boos of geïrriteerd is, want anders zet je geen punt. Het kan niet anders dan dat deze betekenisverschuiving van de punt ook invloed zal hebben op de schrijfvaardigheid in de klas, zeker als er heel veel berichten op een dag verstuurd worden: dat kun je een heuse training noemen, die weer lastig af te leren is.
Nu zijn er diverse lesmethodes die leerlingen adviseren om niet te lange zinnen te gebruiken, omdat ze dan al snel de fout in gaan. Voor mijn gevoel is dat ongeveer hetzelfde als dat je tegen iemand die op naailes zit, zegt: naai alleen maar naadjes van maximaal tien centimeter lang, want anders ga je al snel scheef. Daarmee zal je echter nooit een broek of een shirt leren naaien. Het is de kunst om je zinnen steeds verder te leren uitbreiden en daarin te variëren, zonder de fout in te gaan. En natuurlijk, die kunst krijg je pas onder de knie als je niet al te bang bent om fouten te maken.
Maar wie kunnen leerlingen nu het beste als voorbeeld nemen? Wie beheerst de taal en zinsbouw beter dan de grote schrijvers? Wij moeten onze leerlingen laten lezen, lezen en nog eens lezen en daarin het goede voorbeeld geven. En dan wordt het interessant, want let de komende tijd als je een boek leest, maar eens op de lengte van de zin en de bouw ervan. Je raakt algauw verzeild in complexe vraagstukken.
Zo las ik onlangs het prachtige boek Het gebed van Jonathan Simmers van Martijn Couwenhoven. Wat een schitterende stijl, dacht ik. Zou iemand hier op Tzum al eens over hebben geschreven? En ja, Marjon Nooij schrijft in september 2023: ‘De lange en samengestelde zinnen vol komma’s – buiten de punt geen andere interpuncties – doen Proustiaans aan en zitten vol weemoedige reflecties en vertwijfeling, maar ook gloort er hoop.’ Wat is nu een typisch Proustiaanse zin? Volgens Nooij is die lang, samengesteld en vol komma’s. De toevoeging na het gedachtestreepje is wat bijzonder, want afgezien van het dubieuze meervoud ‘interpuncties’, zou er volgens haar geen ander leestekengebruik zijn dan de punt, terwijl ze daarvoor juist ook de grote hoeveelheid komma’s noemt. Proust schrijft lange zinnen, maar is iedere lange zin Proustiaans? Ik denk dat zelfs de hoeveelheid komma’s of andere leestekens niet per se onderscheidend is voor de Proustiaanse zin. In De kant van Guermantes, het tweede deel van Op zoek naar de verloren tijd, vind je op de eerste bladzijde de volgende zin:
En mocht ik haar dan hebben uitgelachen, toen ze, in haar bedroefdheid een pand te moeten verlaten waar je ‘zo van alle kanten gerespecteerd’ werd, naar goed Combrays gebruik al huilend haar koffers pakte, de woning die de onze was geweest hoog verheffend boven welke mogelijke andere ook, nu daarentegen, ziende dat ze in het pas betrokken huis, waar ze van de conciërge die ons nog niet kende de voor haar geestelijke leeftocht onontbeerlijke blijken van achting niet had ontvangen, nagenoeg aan het verkwijnen was, zocht ik, die me, zo gemakkelijk als ik een voorbije situatie losliet, maar moeilijk aan een nieuwe aanpaste, heul bij onze oude dienstbode.
De hoofdzin is hier zo ongeveer: ‘Ik zocht heul bij onze oude dienstbode’ (heul = troost). Deze hoofdzin is verspreid over de gehele zin en door de vele bijzinnen die aan deze hoofdzin zijn toegevoegd, is die wellicht wat lastig te vinden. De zin begint namelijk met diverse in elkaar geschoven bijzinnen. Breid je de hoofdzin iets uit, dan krijg je: ‘En mocht ik haar dan hebben uitgelachen, zocht ik heul bij onze oude dienstbode.’ Hiermee heb je het begin van de gehele zin én het eind te pakken. De rest van de bijzinnen ontspringen binnen deze hoofdconstructie. Er wordt bijvoorbeeld een moment toegevoegd, beginnend met ‘toen ze naar goed Combrays gebruik al huilend haar koffers pakte’. Aan dit moment wordt weer een gemoedstoestand gekoppeld in een tussengevoegde bijzin: ‘in haar bedroefdheid een pand te moeten verlaten waar je “zo van alle kanten gerespecteerd” werd’. Zo zie je dat de hoofdconstructie als een soort klem alle binnenste bijzinnen bij elkaar houdt.
Deze Proustiaanse ‘klemconstructie’ heeft een bijzonder verkwikkend effect op de geest van de lezer. Het werkt als hersengymnastiek: je stapt een zin in en terwijl je voelt dat die op een bepaalde manier verder moet gaan (het onderwerp is namelijk nog niet geweest, dat komt pas op ongeveer driekwart van de zin), word je steeds onderbroken door een nieuwe verrijking van binnenuit. Ondertussen blijf je wachten op dat slotakkoord, waarmee de grammaticale functie opgelost zal zijn, zonder dat je vooralsnog iets mag loslaten. Prousts zinnen bestaan dus vooral uit onderschikking: één hoofdzin, onderbroken door een veelvoud van bijzinnen. Hoe meer Proust je leest, hoe flexibeler je geest wordt, juist door deze complexe constructie. Iedere zin is een nieuwe cyclus die je doorwerkt. En daarmee is het omvangrijke totaalwerk als een soort fractaal te zien: het geheel is een enorme cyclus, waarbij de tijd op magische wijze in cirkels loopt, maar de kleinere delen, namelijk de zinnen, hebben ook deze zelfde cyclische vorm. Zijn zinnen zijn dus sublieme bouwstenen van zijn Op zoek naar de verloren tijd.
Neem nu de Noorse Nobelprijswinnaar Jon Fosse en lees de volgende zin uit zijn indrukwekkende Melancholie II, waarin de oude vrouw Oline met in de ene hand een stok, in de andere een vis, stapje voor stapje een berg op loopt, terwijl alles pijn doet:
Mocht zij maar heengaan, denkt Oline en ze zet de stok naar voren, en dan haar ene voet, en o wat is het zwaar, het is alsof ze haar voet los moet rukken, hem vooruit moet schuiven, zo voelt het, alsof ze uit elkaar getrokken wordt, zo voelt het, en het is nog nooit zo erg geweest en dat komt waarschijnlijk doordat ze is blijven staan waar de helling op zijn steilst is, als het nou maar een gelijkmatige pijn was geweest, maar dit snijden, dit scheuren, dit is te erg, denkt Oline en ze zet ook haar andere voet naar voren en Oline loopt verder de helling op, langzaam, terwijl haar beide voeten zeer doen loopt Oline verder de helling op, met de stok in de ene hand en de vis in de andere loopt ze verder, en dat Sivert nu óók moet heengaan? nee dat is te erg, denkt Oline, nee, dat Sivert moet heengaan, dat kan toch niet, denkt ze, kan Onze-Lieve-Heer haar niet beter komen halen, zij die zo’n pijn heeft, denkt Oline, en nu moet ze nog een klein stukje lopen, dan mag ze blijven staan, als ze haar huis kan zien dan mag ze blijven staan en even bijkomen, zoals ze dat altijd doet, denkt Oline, nog maar een klein stukje, nu, dan zal ze eindelijk verlost zijn van de pijn, denkt Oline, en haar voeten doen zeer en Oline denkt dat het voelt alsof het overal pijn doet waar het maar pijn kan doen, denkt Oline, en nu kan ze gauw blijven staan, denkt ze, nu is ze er bijna, maar dat ze hetzelfde stuk vandaag nog tweemaal moet lopen, nee dat wordt gewoonweg te veel, maar als Sivert op sterven ligt, dan moet ze wel gaan en met hem praten, als hij heeft gevraagd of ze bij hem wilde komen om met hem te praten, moet ze wel naar hem toe, denkt Oline.
Fosse maakt ook af en toe gebruik van onderschikking, maar hij plakt vooral verschillende hoofdzinnen aan elkaar met komma’s. Dit mag dan wel een heel erg lange zin zijn, in wezen bevat de zin heel veel kleine hoofdzinnen die op zichzelf vrij eenvoudig zijn en in zekere zin minder van je concentratievermogen vragen, omdat de kleine zinnen steeds op korte termijn worden opgelost, niet door een punt, maar wel door hun complete grammaticale vorm. Je hoeft het begin van de zin niet te onthouden tot de punt om de betekenis van de hele zin te bevatten. Sterker nog, bepaalde zinnen komen steeds terug, soms in een net iets ander vorm. Er is dus sprake van herhaling. Deze stijl heeft bijna het tegenovergestelde effect van die van Proust: je gaat je bijna vervelen, je gaat in dezelfde kringetjes denken en wordt daar op den duur tureluurs van. Dat past precies bij dat moeizame strompelen van de oude vrouw die pijn in haar voeten heeft en loopt te piekeren over haar broer Sivert. In een ander opzicht vraagt deze stijl wel degelijk veel van je concentratievermogen: je ervaart een inwendig verzet tegen de irritante cirkels en je moet strijden tegen de verleiding van afleiding. Ook dit is dus hersengymnastiek. Fosses werk is net zo goed cyclisch te noemen, maar dan in de inhoud: het gepieker houdt de grote hoeveelheid kleine, nevengeschikte zinnen bij elkaar.
En dan komen we bij Het gebed van Jonathan Simmers van Couwenhoven. Ook de volgende zin is van een enorme omvang. Lieke, het zusje van de ik-persoon heeft vlak daarvoor gevraagd waar je terechtkomt als je van de aarde waait:
Op dat moment liet ik het voor wat het was, ze had er vast niets mee bedoeld, maar omdat ze steeds vaker dergelijke opmerkingen maakt, over het niet hier hoeven zijn, denk ik dat ze het destijds vroeg niet uit angst maar als mogelijkheid, dat ze juist wilde wegwaaien, en sindsdien let ik op mijn woorden, al schudt ze meewarig haar hoofd bij mijn doorzichtige pogingen haar met lichtheid de reden van de zwaartekracht te doen inzien, de zwaartekracht die ons op aarde houdt om haar uiteindelijk zo licht mogelijk te verlaten, en ik hoor ook wel dat ik pathetisch klink en terwijl ik het formuleer zoekende ben naar woorden die iets van houvast bieden, maar ja, wat wil je, denk je tegelijkertijd bij jezelf, je hebt je moeder zien verdwijnen, haar zelfverkozen einde, dat wil je niet nog een keer meemaken, je grijpt dus alles aan om Lieke te ondersteunen, dan maar pathetisch, zelfs het gebed schuw je niet, en zei ze laatst zelf niet dat ze in haar ooghoek een helder licht zag, maar nee, Jona, die lichtflits was geen ziel die over mij waakt en mij wil laten groeien, zo werkt dat niet, zegt ze, het zijn flitsen in het oog die horen bij migraine, bij vermoeidheid en stress, dat is waarom mijn ogen zo nu en dan licht geven, en nee, ook geen vuurvliegje, Jona, en een vuurvliegje is eigenlijk een kever, en het vuurvliegvrouwtje is geen vlieg en ook geen kever, maar een glimworm, en ze zegt dat ze dat onaangenaam onduidelijk vindt, omdat de natuur normaal gesproken juist zo aangenaam en duidelijk in haar wetten is, maar het is natuurlijk de mens die deze onduidelijkheid heeft geschapen, de mens bracht logica aan in de benaming, de mens heeft zich langzaam maar zeker van de natuur vervreemd, de natuur is verworden tot pretpark, tot iets secundairs, zegt Lieke.
Grammaticaal gezien lijkt de zinsconstructie eerder op die van Fosse dan van Proust, want ook hier is er geen sprake van een hoofdzin die om allerlei bijzinnen geklemd zit. De zin begint met een betrekkelijk eenvoudige hoofdzin, die na de komma wordt uitgebreid met een volgende hoofdzin, dan nog een, en soms volgt er ook nog een bijzin, maar je hoeft voor de grammaticale ‘oplossing’ niet te wachten op de punt. Er is sprake van een gedachtestroom die stapje voor stapje wordt uitgebreid, als een avontuur op glad ijs: je wilt door, je wilt naar de overkant, maar je moet niet te lang stilstaan, want anders zak je door het ijs. Wie van nabij de situatie kent waarin een dierbare meermaals signalen heeft afgegeven liever niet meer te leven, weet hoe dicht Couwenhoven hier in taal de essentie raakt: je wilt niet stilstaan bij dat verschrikkelijke mogelijke verlies, je praat door om de verontrustende stilte te vermijden, om de ander vast te houden, dwangmatig haast, om haar maar niet te verliezen, zozeer dat je zelfs de dialoog met de ander opneemt in die ene, lange zin, waardoor ze geborgen is in jouw gedachten.
Inhoudelijk is hier niet net als bij Fosse sprake van een cyclus, maar van een gedachtestroom die steeds verder uitdijt. Je hebt geen idee waar het heen gaat, je houdt je adem in, omdat het ieder moment mis kan gaan. Een eind verder in het boek zoekt de ik-persoon opnieuw, of nog steeds, houvast in het gebed aan zijn moeder. Hij spreekt eerst over haar in de derde persoon, maar gaat dan over op ‘jij’, spreekt haar dus direct aan, en zijn gedachten buitelen over elkaar heen, totdat, nog steeds in dezelfde zin iemand iets tegen hem zegt, zijn gedachten dus onderbreekt. Hij registreert dat, neemt de onderbreking zelfs mee in zijn gedachten, maar wil toch eerst nog even zijn gedachten afmaken. Deze manier van schrijven, waarbij de lange zin eerder een combinatie van een avontuur én niet los willen laten is, past ongelooflijk en ontroerend mooi bij de situatie van een oudere broer die koste wat het kost zijn zusje wil behoeden voor een zelfgekozen einde en bij het gebed aan zijn moeder, als een niet aflatende zoektocht naar haar wezen, dat ook zelf gekozen heeft voor het einde.
Ten slotte nog een laatste voorbeeld uit De herinnerde soldaat van Anjet Daanje, waarbij de soldaat Amand door het shellshocksyndroom zijn geheugen kwijt is en alle indrukken stuk voor stuk nieuw bij hem binnenkomen:
En ze is mooi, hij had zich alleen een onbestemde voorstelling van zijn vrouw gemaakt, zoals een figuur in een droom, meer gevoel dan tastbare contouren, maar ze was nooit zoals zij, met donker haar, in kunstig golvende strengen opgestoken, elegant en slank, en smaakvol gekleed. En ze durft niet naar hem op te kijken, terwijl ze over de drempel stapt is hij zich bewust van haar blik die op zijn grove gestichtsschoenen rust en omhoogkruipt langs de pijpen van zijn broek en op de hoogte van zijn knieën blijft hangen, en dokter De Moor sluit de deur geruisloos achter haar, en met de moed der wanhoop besluit ze dat dit dan maar het moment moet zijn.
Daanje doet iets anders dan de voorgaande schrijvers. Ze begint bijna al haar zinnen in deze roman met het voegwoord ‘En’, alsof de zinnen juist zijn losgekoppeld en in stukjes met ‘En’ aan elkaar geplakt worden, wat verdraaid goed past bij iemand van wie de geschiedenis is afgebroken en stapje voor stapje weer in elkaar moet worden gezet. Het boek bevat meer dan vijfhonderd bladzijden en door steeds deze zelfde en-constructies krijgt het boek iets meditatiefs, iets helends.
Er zit wel iets in om leerlingen eerst te leren om kleine, korte zinnen foutloos te schrijven. Ze moeten tenslotte ook in staat zijn om ooit een keurige motivatiebrief te schrijven naar hun toekomstige werkgever. Als zij echter alleen les krijgen uit lesmethodes, dan zullen de leerlingen de Noorse Nobelprijswinnaar, maar ook Couwenhoven beschuldigen van foutief taalgebruik: zij hadden eerder een punt moeten zetten. Ook Daanje zouden ze terechtwijzen: een zin hoor je niet te beginnen met ‘En’. Zij zouden blind zijn voor de schoonheid van deze bijzondere stijlen. Alleen op Proust valt vanuit de lesmethodes niet echt iets aan te merken, want zijn zinnen zijn altijd grammaticaal correct en hebben een duidelijke kop en staart. Echter, als we leerlingen alleen nog maar met korte zinnen laten oefenen, zullen zij nooit het uithoudingsvermogen bezitten om het einde van een Proustiaanse zin te bereiken. Hoe mooi zou het daarom zijn als zij stapje voor stapje hun terrein uitbreiden, van binnenuit de zin, of aan de rand ervan, zodat zij kunnen gaan spelen met het effect en gaan nadenken over voor wie ze eigenlijk schrijven en wat zij willen uitdrukken. Daarvoor moeten ze vooral veel mooie voorbeelden zien. Als kers op de taart kunnen ze dan beginnen in oneindige zin, de zevende dichtbundel van Rozalie Hirs, waar nooit een einde komt aan de zin.
Dietske Geerlings
