De helaasheid der dingen | Domweg gelukkig in de marginaliteit

Met een beetje creativiteit kun je op alles trots zijn. ‘Mijn vader,’ schrijft Dimitri Verhulst in het eerste hoofdstuk van De helaasheid der dingen, ‘sprak steeds met fierheid over de ongemakken van onze woonst, het getuigde van weinig mannelijkheid makkelijk te willen leven, en toen we uiteindelijk verhuisden naar de Merestraat was dat uitsluitend omdat wij ons daar konden verslechteren.’ Twee pagina’s verder wordt dat huis beschreven als de ultieme man cave, met veel krabbende mannen in onderbroek, ouwe koffie, rauw gehakt en sigaretten.
De mannen van de Helaasheid weigeren zich te schamen voor het soort vulgariteiten waarvan iedereen weet dat je er echt niet trots op hoeft te zijn, zoals ‘liedjes, sommige vijftien coupletten lang, vol vadsige praat. Ze stonden bol van de schunnige woorden waarmee ons abecedarium tot aan de z was gevuld’. Ze hebben zich neergelegd bij het feit dat ze aan de rand van de maatschappij leven, en dikken die toestand nog aan met hun gedrag.
Toch zijn Verhulsts personages geen freaks. Verre van: dit boek ontleent minstens een deel van zijn populariteit aan de herkenbaarheid. Verhulst overdrijft, natuurlijk. Als de Vlaming veel drinkt, dan zijn deze personages reddeloze alcoholverslaafden. En niet alleen zij, maar zowat de hele bevolking van het dorpje Reetveerdegem, blijkens zinnen als deze: ‘Het startschot werd gegeven om tien uur ’s ochtends, het uur waarop onze postbodes reeds van hun fiets vielen’ (uit het onvergetelijke hoofdstuk ‘De Ronde van Frankrijk’).
Overdrijving, zei ik. Als de gemiddelde Vlaming graag naar wielrennen kijkt, dan maken Dimitri’s ooms van de Tour de France in dat zojuist genoemde hoofdstukl een slempwedstrijd die eindigt met een delirium tremens. En als de taal van de Vlaming een beetje subtiliteit ontbeert, dan zegt men in de Helaasheid over een demente bejaarde: ‘Uw grootmoeder is zo kierewiet als een achterdeur’. Enzovoort.
Op dit punt doet De helaasheid denken aan de Amerikaanse sit-com Married… with children. De familie Bundy was een uitvergroting van het gemiddelde Amerikaanse gezin, dat zich erin kon herkennen en toch ook opgelucht ademhalen: zó erg is het bij ons toch niet.
Maar Married… with children bleef steken in botte humor, terwijl Verhulst toont dat zelf de meest vulgaire dingen “veredeld” kunnen worden. In het hoofdstuk ‘Voer voor etnologen’ zijn de genoemde vulgaire liedjes de laatste connectie met de intussen demente grootmoeder. Ze voeren de lezer ongemerkt van billenkletshumor naar een hartverscheurend moment.

Vergeet het verdriet
Je hoeft geen hele grote cynicus te zijn om dit boek te lezen en te besluiten: ja, zo is de Vlaming. Vergeet Het verdriet van België: voor een haarscherp beeld van de Vlaamse identiteit is er maar één boek en dat is De helaasheid der dingen. De Vlaming is platvloers (een ander zou zeggen: volks), geobsedeerd door wielrennen, gewend aan te veel alcohol. Met luidruchtige jovialiteit walst de Vlaming over alle ernstigheden des levens heen.
Het verleden van de Vlaming is vaak allesbehalve fraai, maar de ernst daarvan wordt geneutraliseerd door het drama op te blazen tot een sterk verhaal, een grotesk spektakel. Denk daarbij aan het hoofdstuk ‘De vijver der gezonken babylijkjes’: dat had een drama kunnen zijn, maar het blijft hangen op het veel draaglijker niveau van een sterk verhaal. Denk ook aan het antisemitisme in het hoofdstuk ‘De verzamelaar’: dat leest niet een aanklacht, maar als de punchline van een grap.
Het staat de lezer vrij om zich beledigd te voelen door dit alles. Het staat hem al evenzeer vrij om naar andere concepten te grijpen die de Vlaming typeren, zoals bourgondisch, pretentieloos en durft met zijn poten in de modder te staan. Noem het allemaal zoals u wil: het blijft hetzelfde als wat ik hierboven schreef.
Terzijde: dit geldt niet alleen voor de populaire cultuur. Een artikel in een Vlaamse krant is anders dan een artikel over hetzelfde nieuwsfeit in een Franse krant. Vlamingen zijn nuchterder, laten zich niet gauw verleiden tot ronkerige intellectuele interpretaties – ik zal daar nog op terugkomen als ik het over Edouard Louis heb.

Kinderlijk onschuldig
De meesterzet van De helaasheid der dingen is dat de auteur zijn nooit uitlacht of bekritiseert. Deze benadering volgt logisch uit het vertelperspectief. Het grootste deel van het boek zien we alles door de ogen van kleine Dimitri. Die is te jong om te bevatten dat er in zijn familie onverantwoorde dingen gebeuren, en zal zijn nonkels dus nooit bekritiseren. En als hij in het laatste hoofdstuk toch optreedt als volwassene, heeft hij intussen zo’n zootje gemaakt van zijn eigen vaderschap, dat hij opnieuw niet in de positie is om zijn familieleden de les te lezen.
De helaasheid is het tegendeel van uitlachtelevisie: hoe gortig het ook wordt, de verteller beschrijft het met een soort verrukte verbazing, en voelbare liefde voor zijn (heel) feilbare helden.
Er zit dan ook geen grammetje kwaad in de Verhulst-nonkels. Er zijn in Vlaanderen minstens evenveel racisten te vinden als elders, maar als de nonkels zich opdringen aan een Iraanse familie (omdat die een televisie hebben en de nonkels de uitzending van een Roy Orbinson-optreden voor geen goud willen missen) leidt dat allerminst tot spanningen. ‘Dit waren dus vreemdelingen,’ schrijft Verhulst, op kinderlijk onschuldige toon. ‘We hadden er al veel over gehoord.’ Het bezoekje gaat gepaard met het gebruikelijke gebrek aan tact, maar het komt niet tot een conflict. Bij het dansen sneuvelt er niet meer dan één vaas.
Blijft de vraag: waarom weigert Verhulst een oordeel te vellen over zijn personages? Deze uitvergroting van mannelijke ondeugden (zuipen, nutteloos zijn in het huishouden, zichzelf niet verzorgen, liever brallen dan praten…) is komisch, maar op het gevaar af te klinken als een sensitivity reader: er valt hier toch ook veel te bekritiseren? Is het echt alleen maar de bedoeling dat we lachen om deze verzameling ondeugden?

Mark Cloostermans

Volgende aflevering:
Balsem
(De helaasheid der dingen, Dimitri Verhulst, 3/3)