De verschrikkelijke cirkel (over Het lied van ooievaar en dromedaris)

Iets meer dan drie jaar geleden stierf onverwacht mijn geliefde. Zelf word ik er niet jonger op. Dingen die veertig jaar geleden gebeurden, voelen als recente geschiedenis. Waarom de Tweede Wereldoorlog zo aanwezig bleef in het leven van mijn ouders, begrijp ik nu.

Misschien werkte Het lied van ooievaar en dromedaris, dat boek vol dood, ziekte, verval en de futiliteit der dingen mij daarom bijwijlen zo op de zenuwen.

Ik zou ook kunnen zeggen dat het me ‘aangreep’, maar ik heb de dikke turf bij herhaling vol irritatie dichtgeklapt. Toch heb ik hem helemaal uitgelezen, iets waarvan ik denk dat nogal wat andere kopers dat niet gedaan hebben. Laten we wel wezen, de verhalencyclus – dat is Het Lied eerder dan een roman – is bij momenten langdradig.

Daanje schrijft mooi, maar zo uitgebalanceerd dat alles altijd hetzelfde klinkt. Het ontbreekt haar proza aan ritme of beter, ritmewisselingen. De zinnen zijn geschreven voor een lezer die voortdurend precies even geduld en concentratie kan blijven opbrengen. Misschien bestaat zo’n lezer, maar ik ben (en ken) hem niet. Af en toe verlang ik naar een ander tempo of toonhoogte, een stilistische trap onder mijn kont, minder telling en wat meer showing. Meer muziek, kortom, en minder details.

Anjet Daanje nam het leven van de Britse zussen Brontë als uitgangspunt, vooral dan dat van Emily. Maar haar magnum opus draait niet echt om de schrijfster van Wuthering Heights. Daanjes zussen lijken op de Brontës maar ze zijn het niet. Dat geeft schrijfster de vrijheid om helemaal haar eigen ding te doen. Maar hé, tegelijk vormen door Daanje zelf vertaalde gedichten van Emily een van de rode draden van het boek.

Je leest hier en daar dat Daanje het ontstaan van een literaire mythe in kaart brengt. Dat doet ze ook. De lezer volgt zelfs van nabij de ondergang van een biografe. Zij wordt niet wijs uit het geheimzinnige Chambersboekje, een schriftje met notities van Liza May Drayden, Daanjes Emily Brontë.

Een aantal verhalen in Het lied gaat over lieden die als getuigen of onderzoekers of afstammelingen van getuigen betrokken zijn of raken bij het slecht gedocumenteerde leven van de Draydens. Bij monde van haar talrijke personages cirkelt Daanje om dat leven heen; naarmate Het lied vordert, verneemt de lezer meer feiten, of beter, interpretaties daarvan.

Verbazingwekkend knap is dat de opeenvolgende verhalen elkaar niet lineair aanvullen – nieuw verhaal, meer informatie – maar dat een verhaal de feiten uit een voorgaand in een totaal ander daglicht stelt en de lezer dwingt om het opnieuw en vaak anders te interpreteren. De gedachte aan de planning en de verbeelding die hiervoor nodig was, doet mij het zweet uitbreken. Mevrouw Daanje, ‘chapeau’, zoals wij in Vlaanderen zeggen, wanneer iemands prestatie respect afdwingt.

Magisch realisme, zo kun je dan weer de onopgeloste mysteries in Het lied noemen. Wat gebeurt er met de vijf stenen in de doodskist van Eliza May Drayden (haar lichaam is op de heide begraven)? Hoe komt het dat na meer dan een eeuw architect Emery Niles het Chambersboekje verliest en waar is het naartoe? En dit terwijl de lezer weet (of meent te weten) dat Niles zijn droomhuis wil bouwen op de plek waar de dode Eliza May echt werd begraven? (Al doen zulke raadsels zich soms in werkelijkheid voor.)

Indrukwekkende research en grote eruditie liggen aan de basis van de evocatie van de verschillende tijdperken en decors waarin Het Lied zich afspeelt. Al wie ooit met veel moeite een roman schreef die in (maar) één stukje verleden is gesitueerd, zal dat beamen.

Voor mijn gemoedsrust bevat Het lied van ooievaar en dromedaris wat veel verderf en dood. Maar dat is mijn probleem. De die thema’s obsedeerden de Victoriaanse tijdgenoten van Eliza May Drayden trouwens ook al. En daaruit bestaat natuurlijk de geschiedenis: mensen leven en lijden; verval en dood zijn onvermijdelijk hun deel. Ons deel – Daanje herinnert er ons voortdurend aan.

Daar gaat het in Het lied ook over – veel meer dan over een schrijfster en wat mensen over haar verzinnen. Vandaag is zulks ongewoon, maar het lijvige boek handelt over ons eindige leventje in het perspectief van de eindeloze Tijd met grote ‘T’. En die Tijd, wat is dat eigenlijk? Ook die vraag schotelt Daanje ons voor. Is ons bestaan een materiele, biologische kwestie – cfr. de dromedaris op blz. 417 – of wijst de tekening van een ooievaar in het zand op het bestaan van iets ‘hogers’? Dat laatste geloof ik met klem niét, maar de vraag mag gesteld worden, al is het maar omdat zovelen ermee worstelen (en omdat je ze anders niet met ‘nee’ kunt beantwoorden).

Daanje eist (soms te veel) geduld, geeft geen antwoorden, maar stelt heel fundamentele vragen. Af en toe laat ze op het pad van de lezer een raadsel achter dat zich gaat gedragen als een kiezeltje in diens sandaal (ja, het is nog zomer).

Blij heeft dit alles mij niet gemaakt. Maar ik heb wel een diep respect. In de hedendaagse Nederlandse letteren (de Vlaamse inbegrepen) is Het lied van ooievaar en dromedaris een fenomeen.

‘Ga je een recensie schrijven?’ vroeg een paar dagen geleden mijn nieuwe lief die ik op de hoogte hield van mijn worstelpartij met de turf met de turfkleurige omslag. ‘Nee,’ zei ik, ‘ik doe geen recensies meer, te veel aardige schrijvers die je elk ogenblik tegen het lijf kunt lopen. En Het Lied is drie jaar oud. Maar ik wil er toch wat over kwijt.’

Want kijk, in dit dikke boek valt alles op zijn plaats – als er zoiets als ‘plaats’ bestaat in het (Daanje-) universum. Klokkenmaker Ties Auwerda, protagonist van het laatste verhaal en diens vrouw Heleen behoren tot de meest tragische personages in Het lied. Wanneer Heleen na een val met ‘verlaagd bewustzijn’ voortleeft als een plant, probeert Ties wijs de evolutie (of eerder het gebrek daaraan) van haar toestand vast te leggen. Hij doet dat door het neerschrijven notities in wat een nieuw onbegrijpelijk Chambersboekje wordt. Daarmee wordt de verschrikkelijke cirkel gesloten.

Jan Lampo