Interview: Otto de Kat – ‘Herinneringen zijn niet te verslaan’
Herinneringen zijn niet te verslaan
Otto de Kat viert dit jaar zijn vijftigste schrijversjubileum. De onlangs verschenen titel in de Terloops-reeks Het kind en ik is ronduit gezegd een meesterproeve. Amper zestig pagina’s groot, weet de schrijver een evenwicht te vinden tussen weemoed en realisme, tussen poëtische natuurbeschouwingen en terloopse rurale verhalen.
Een wandeling in het Munnikenland. Waar de ouders van Jan Geurt Gaarlandt, schrijvend onder De Kat, een dijkhuisje bezaten, totdat in de jaren zeventig ambtenaren met meetstokken op de dijk verschenen, het einde van de streek zoals de schrijver die kende in zicht kwam, dankzij een programma van Rijkswaterstaat dat eufemistisch ‘Ruimte voor de Rivier’ werd genoemd.
Ter ere van het jubileum verscheen ook een herdruk van vijf romans. Onder de titel De eeuw van Dudok.
De Kat: ‘Mijn debuut Het ironisch handvest verscheen bij Uitgeverij Van Oorschot onder mijn eigen naam. De oude Van Oorschot nam al mopperend, grote sigaar in de mond, mijn manuscript in ontvangst. Erg mooi. Het was meneer Van Oorschot, geen sprake van dat je Geert tegen hem zei. Toen de bundel klaar was en ik exemplaren kon ophalen, daalde ik samen met Herman de Coninck de trap op de Herengracht af. We liepen welhaast als twee veroordeelden het pand uit.
In de jaren zeventig werd ik tamelijk impulsief uitgever, zonder directe achtergrond of opleiding in die richting, had theologie en Nederlands gestudeerd, maar voelde me vanaf de eerste dag als een vis in het water, werd opgenomen in een ‘familie’ van kleinere imprints, onderdeel van Unieboek, was verantwoordelijk voor uitgeverij De Haan.
Af en toe schreef ik nog wel een gedicht, dat vervolgens in Tirade verscheen, maar ik werd dermate geabsorbeerd door de uitgeverij dat ik aan schrijven eigenlijk nog nauwelijks toekwam. Mijn vader was in 1974 op negenenvijftigjarige overleden. Ik was dol op die man. Zijn dood was een behoorlijke cesuur in mijn leven. Veel later kwam het idee op om proza aan hem te wijden. En zo is het begonnen. In het zojuist verschenen Het kind en ik komen mijn ouders weer terug.
Het verhaal dat ik over mijn vader schreef, publiceerde ik in Tirade onder eigen naam. Verschillende uitgevers benaderden me, toonden interesse. De Bezige Bij en Bert Bakker bijvoorbeeld. Ik voelde me wel uitgedaagd, maar er kwam verder niets van omdat ik een eigen uitgeverij oprichtte. In 2026 bestaat uitgeverij Balans alweer veertig jaar. Vanaf het begin hebben wij ons, zo’n beetje als eerste op dat vlak, geconcentreerd op het uitgeven van non-fictie.
Op een bepaald moment kreeg ik het idee dat wanneer ik de pen niet snel zou oppakken, het schrijven echt op zou houden. Terwijl er wel de drang bestond om met het verhaal over mijn vader verder te gaan, er verschillende verhalen aan vast te knopen. Schrijven is toch uiteindelijk een zoektocht naar je eigen stem.
Het eerste verhaal, New York, kwam terecht in mijn eerste prozabundel Man in de verte. Het had een tijd geduurd voordat ik de samenhang had gevonden. De hij-figuur is de verbindende factor, daar draaien de verschillende hoofdstukken omheen. Toen ik er uiteindelijk tevreden over was, wilde ik het wel uitgeven, maar niet onder mijn eigen naam.
Ik had een zekere bekendheid verworven als criticus en als uitgever, en zag de reacties uit het vak al voor me. Een eerste boek is daar te kwetsbaar voor. Er waren nog recensenten werkzaam bij De Volkskrant en Vrij Nederland uit mijn tijd.
Ik stuurde het manuscript dus onder de naam Otto de Kat naar Van Oorschot, toen onder leiding van Wouter van Oorschot. Otto is een familienaam, en mijn grootmoeder was een De Kat. Ik zocht een pseudoniem dat toch vertrouwd was. Omdat ik het grote geluk heb dat een aantal titels vertaald is, kennen ze me in het buitenland alleen als ‘Otto’. Het is een tweede natuur geworden, voel me ook een Otto. Pas als zodanig als een personage in de familie.
Eigenlijk is een pseudoniem voor een uitgever vervelend, in verband met de publiciteit en marketing, maar Van Oorschot respecteerde het, had diverse auteurs in zijn fonds die een alias gebruikten. Binnen een week kreeg ik een enthousiaste brief van Gemma Nefkens, met de toezegging tot publicatie, maar ook een laatste zin. ‘Maar wie bent u eigenlijk?’
Toen het bekend werd, was het wel even stil, ‘een collega die even in de keuken komt kijken.’ Het scheelde dat ik geen concurrerende uitgever was, omdat ik uitsluitend non-fictie uitgaf. Ik heb in de loop der decennia altijd heel prettig met uitgeverij Van Oorschot gewerkt, goede reacties gekregen vanuit de redactie. Goede schrijvers luisteren naar mijn mening altijd naar hun redacteuren.
In verband met het vijftigjarige schrijversjubileum zijn vijf romans in De eeuw van Dudok in herdruk verschenen. De romans die een familiegeschiedenis beschrijven. Een van de romans, Julia, speelt voornamelijk in 1938. Maar ik heb ook over de Atjehoorlog geschreven van eind negentiende, begin twintigste eeuw. Mijn grootvader was officier, raakte daar zwaargewond, kwam terug naar Nederland en werd burgemeester. Ik heb altijd in al mijn boeken stukjes familiegeschiedenis kunnen gebruiken.
Hoofdpersonen uit mijn verschillende boeken zijn verschillende leden uit mijn familie, al zouden ze zichzelf niet herkennen. In al mijn fictieboeken zitten stukken non-fictie en vice versa. Ik ben een schrijver van autofictie. In Autobiografie van een flat bijvoorbeeld zitten episodes in uit de Tweede Wereldoorlog, toen mijn ouders in Rotterdam woonden. Daar kende ik alleen maar fragmenten van, uit overlevering. Het is behoorlijk fictief, maar waarachtig. Dat laatste is cruciaal.
Het kind en ik is een werk van zestig pagina’s in de serie Terloops, een wandelreeks. Mijn stelling is dat in bijna elk dik boek een dun boek zit dat eruit wil. Ik raakte na het schrijven van Autobiografie van een flat geïnspireerd. Daar had ik een toon gebruikt die ik nog niet eerder zo had getroffen. Het was me niet genoeg, wilde die stem nog wat uitdiepen, aanvullen eerder.
Het is eigenlijk een vervolg, en toch staat het helemaal op zichzelf. Dat kan en moet ook. Ik ben nu bezig met de herinneringen van een passant. Dat zijn we eigenlijk allemaal, voorbijgangers. Het kind en ik is een wandeling door een gebied dat helemaal veranderd is, een wandeling door het geheugen en een wandeling door het gedicht van Martinus Nijhoff, die vallen samen, daar waar Maas en Waal samenvloeien zogezegd. Mijn vroegere ik smelt samen met de wandelaar van nu. Een kwestie van het leven rond maken.
Ik denk zelden na over structuren, die overkomen me eerder. Zo ook in dit geval. Schrijven is het testen van je geheugen. Al schrijvend begin ik terug te gaan in de tijd. Ja, je hebt verbeelding nodig, maar het wordt opgeroepen. De woorden dagen elkaar uit. Daarnaast heb je, belangrijk voor een schrijver, een resonantie nodig van lezers. Ik heb geen publiek voor ogen, maar er zijn bepaalde lezers waar je echt voor schrijft, die er toe doen. Dan heb je het idee: het boek is aangekomen.’
Guus Bauer
(Foto Otto de Kat: via Van Oorschot © Annaleen Louwes)
