Nominaties Tzum-prijs 2019

Hieronder staan de nominaties voor de Tzum-prijs 2020 (voor de mooiste zin uit een boek van 2019!). U kunt zelf ook nog tot 15 juli een zin nomineren, zie het formulier onderaan de bladzijde.

De voorwaarden zijn:

– De zin moest staan in een oorspronkelijk Nederlandstalig prozawerk dat in boekvorm voor het eerst is gepubliceerd in 2019 (geen eigen beheer-uitgaven).
– Iedereen mag inzenden, iedereen mag meer dan één zin inzenden.
– Inzendingen vermelden met het citaat en bladzijdenummer.
– De deskundige jury (redactie Tzum) voegt zelf ook zinnen toe. Bij meer dan drie genomineerde zinnen uit één boek kan de jury een voorselectie maken.
– Vermeld je eigen naam en adres. Alleen je naam wordt genoemd als inzender bij de nominatie.
– Zinnen van redactieleden en/of medewerkers aan Tzum mogen wel worden ingezonden, maar worden uitgesloten voor de eindstrijd.

Voor de duidelijkheid: nomineren betekent dat je zelf zinnen kunt toevoegen aan de nominaties, niet dat je kunt stemmen op één van de nominaties.

Onder de inzenders worden drie exemplaren van De klok van Iris Murdoch verloot.

De nominaties van de vorige jaren staan in het archief.
Alle winnende zinnen vanaf 2002 zijn hier te lezen.

De nominaties tot nu toe:

Abdelkader BenaliDe weekendmiljonair (blz. 90)
– Hij verkocht wel heel veel verschillende aardappelen met zoveel verschillende namen dat het me na de vele bezoeken duidelijk werd dat iemand een leven lang aardappels kon verkopen zonder te hoeven zeggen dat hij zich verveeld had.

Hanna BervoetsWelkom in het rijk der zieken (blz. 254)
– Ik schaamde me voor mijn aanwezigheid, omdat die niet langer vanzelfsprekend was, en ik schaamde me omdat ik deed, omdat we allemaal deden, of dat wel zo was, en omdat we daarin faalden.

Ad ten BoschDe IJssel stroomt feller dan de Amstel (blz 187, genomineerd door Giny Backers)
– Het grootste provincialisme vind je in Amsterdam, zodra ze de stad uit moeten, lijken ze collectief te worden bevangen door ruimtevrees.

Wouter GodijnDe kamer waar alle verhalen begonnen (blz 82, genomineerd door Giny Backers)
– In zijn hoofd begonnen verschillende stemmen, elk waarschijnlijk toebehorend aan een ander facet van zijn identiteit, door elkaar heen te praten, te kwekken zou je ook kunnen zeggen, terwijl weer een ander ik, dat pretendeerde de leiding te hebben, tussen de sprekers heen en weer snelde, als de meester in een rumoerig schoolklasje, en probeerde ze de mond te snoeren.

Wouter GodijnDe kamer waar alle verhalen begonnen (blz 317, genomineerd door Giny Backers)
– En het was alsof hij alle familieleden van ‘in’ – ‘op’, ‘onder’, ‘naast’ en de andere – gezellig en beloftevol hoorde knisperen, als muisjes in een bak zaagsel.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 58, genomineerd door André Keikes)
– Omdat de lotushouding mij problemen geeft, probeer ik de houding van de boterbloem, maar als ik daar te lang in blijf zitten, glibber ik weg uit mijn positie, die ik met vergeet-me-nietjes probeer terug te winnen – een vruchteloos pogen – tot er iemand met de ideale bos argeloze bloemen op de proppen komt.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 83, genomineerd door André Keikes)
– Ik zei: ‘Ik ben een wanhopige vrouw die in een verderfelijke poel vol padden en slangen haar hengel laat hangen en daaruit wellicht enigszins de moeite waard zijnde verdichtsels opvist om die aan het publiek te tonen met een flauw glimlachje van kijk, het stelt toch wel wat voor hè, ik leef mijn leven niet voor niets – en dan is er altijd wel iemand in het publiek die beamend knikt, op alles, of iemand die door een spasme de hele dag knikt, of iemand die niet beamend maar twijfelend knikt, of misschien is er zelfs iemand die welgemeend knikt – maar of ik het verschil tussen al die knikken zie, dat weet ik niet meneer, vraag mij maar niet meer wie ik ben hoor, want dat weet ik niet,’ – zei ik tegen de meneer en zag toen pas – te laat – dat hij ademloos had zitten te luisteren.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 94, genomineerd door André Keikes)
– Ik voel me zo klein tegenover mijn bezit….

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 104, genomineerd door André Keikes)
– Ik die mezelf graag ‘ik’ noem, vraagt zich af welke ‘ik’ deze ‘ik’ bedoelt als ze ‘ik’ zegt.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 122, genomineerd door André Keikes)
– Mijn bijzondere zelf stampvoette nog even, maar begon allengs de voordelen te zien van gewoon-maar-gewoon zijn.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 13)
– Hij houdt niet van mensen met een stellige mening, zeker niet als het jonge mensen zijn – het zou jonge mensen sieren als ze begrepen dat hun perspectief beperkt is.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 39, genomineerd door Adam Maas)
– De herinnering brengt een schietspoel in beweging die op zijn levenslijn heen en weer gaat, steeds sneller, swoesj-swoesj, en in tellen een hele reeks herinneringen weeft, zodat een flard van zijn levensverhaal hem opeens als een rommelig wandtapijt voor ogen staat: de tocht met de Solex dus maar ook een fietstocht, veel later en met zomers weer, langs de Waal (‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien,’ declameerde zijn moeder, met haar handen los van het stuur en opgeheven, alsof ze de poëzie dirigeerde, ‘Ik zag de nieuwe brug…’); vervolgens, nog weer later, zijn oudste broer in een versleten bank op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, onderuitgezakt, suf van de medicijnen; dan de grijze, natuurstenen vensterbank in de studeerkamer van zijn vader met een foto van Ernest Hemingway; en ten slotte de met kraanwater gevulde zinken teil in het achtertuintje in de Pluimessenlaan, waarin hij en zijn broers op hete dagen konden afkoelen, en de limonade-ijsjes die zijn moeder op zulke dagen maakte in vormpjes van Tupperware, waar ze in korte tijd zowel de kleur als smaak uit zogen zodat er niets dan broos, doorschijnend ijs overbleef, kleur- en smaakloos natuurlijk, maar nog altijd een traktatie.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 89, genomineerd door Nina Janssen)
– En als de baas opduikt uit zijn gedachten en in de ogen van de hond plonst, komt er als vanzelf een glimlach, ingegeven door de onbevangen dagdieverij van het dier, door die allerlichtste vorm van leven.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 109, genomineerd door Adam Maas)
– Hij legt een hand op een schouder hier, maakt een kwinkslag daar, als een politicus die door een bewonderend publiek naar het spreekgestoelte loopt om een potje te liegen.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 139/140, genomineerd door Adam Maas)
– In de stegen tussen de Nieuwstraat en de Vechtkade staan de gevels de verzamelde hitte van de dag af, pesterig, als om eraan te herinneren dat de planeet tolt en al over een paar uur deze zijde opnieuw naar de zon zal wenden, die geduldig is, en krankzinnig heet.

Sjoerd KuyperBizar (blz. 28, genomineerd door Inger Bos)
– ‘Je kunt vechten zonder taal,’ zei het meisje, ‘ik kan je wegsturen zonder taal, dan steek ik dit geweer tussen je ribben en ik grom en laat m’n tanden zien, we kunnen zwemmen zonder taal, huizen bouwen, lachen, zoenen, vrijen zonder taal.’

Sjoerd KuyperBizar (blz. 28, genomineerd door Inger Bos)
– Ze is geboren met een mond vol slagroom, daar moeten haar vloeken doorheen voor ze naar buiten komen.

Sjoerd KuyperBizar (blz. 181/182, genomineerd door Inger Bos)
– Als je zo’n glimlach op straat zag liggen zou je je hak erop zetten, en dan flink draaien tot je zeker wist dat hij tussen de tegels was verdwenen.

Nicolien MizeeAllesverpletterende (blz. 204, genomineerd door André Keikes)
– Misschien dat degenen die het hardst op zoek zijn naar algemene regels juist degenen zijn voor wie er in den beginne een duidelijk systeem was – en daar door de samenleving niet alleen van zijn beroofd, maar zelfs wreed voor zijn gestraft.

Marcel MöringAmen (blz. 15, genomineerd door Ina A. Tanahatoe-Siepman)
– Je was de eerste mens, man en vrouw, vrouw en man, in het paradijs, hand in hand tussen wat nog een naam moest krijgen en nieuw was en vreemd, de vogelen, de beesten des velds, de wolken en de bergen, de eindeloze zee.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 21, genomineerd door N. Goedkoop)
– De gevangene in zijn cel, de schipbreukeling op het eenzame eiland, de maagdelijke prinses in haar op slot gedraaide campanile, de wereld is een rijkgeschakeerde mars van inkervingen en ook ik draag mijn streepjes bij.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 31, genomineerd door N. Goedkoop)
– Mijn voorkeur voor de kleine boezem is in de loop der jaren niet onopgemerkt gebleven, het is een liefhebberij die geleidelijk een eigen leven is gaan leiden, inclusief de grappen van collega’s en vrienden, de geruchten op de achtergrond, het geknipoog en gefluister over dat de een het liefst een blonde wil, de ander gaat voor een grote kont, maar dat Van Deventer altijd het meisje met de kleinste borsten verkiest, borsten die ondanks hun geringe omvang meer dan voldoende genade brengen en die hij om die reden nooit eens baldadig tieten maar altijd hoffelijk borsten blijft noemen want tieten, tieten, dat beschouwt hij als de taal van stakkers.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 45, genomineerd door N. Goedkoop)
– Ik hou ervan om na de eerste duik in het zwembad een tijdje onder water te blijven, het lichaam lang te maken en mijn benen zo te bewegen dat ik het langs mijn dijen voel glijden; ik hou ervan om mijn mond onder de waterlijn te openen en het koude, chloorrijke vocht langs mijn verhemelte te laten tollen en te weten dat het kan en dat het mag en dat niemand mij zal tegenhouden; ik hou ervan om mezelf op mijn rug te draaien, de overdadige pens als een plotseling eiland uit het water te laten verrijzen, nat borsthaar tegen de huid te voelen, vanuit een ooghoek wat water in mijn navel te zien glinsteren en er met een wijsvinger in te roeren en zo te drijven tot het kippenvel zich van mij meester maakt; ik hou ervan me al drijvend van mijn zwembroek te ontdoen, met drie of vier vingers mijn balzak te strelen en aan de geslachtsdaad te denken, omdat het kan, omdat het mag, te mijmeren over het laatste meisje en de daarop volgende fantasieën over andere vrouwen met wie ik soms al wel en soms nog niet de liefde heb mogen bedrijven, beeldende gedachten waarin ook Galatea, de receptioniste van de Paradise Lodge en de Nederlandse dame op het vliegveld de revue passeren, en terwijl ik weer op mijn buik draai te voelen hoe mijn toch al niet bescheiden geslacht door het water waaiert en zich als wellustige slang tot wasdom verheft, omdat het kan, omdat het wil, o listigste ledemaat des velds, en mijn verlangens zich tot één gedachte samenspannen: ook ik ben een walvis.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 76, genomineerd door N. Goedkoop)
– Chinezen houden van Afrika zoals muggen van mensen houden.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 235, ingezonden door N. Goedkoop)
– De pater staat te pissen met de zonden van tientallen vrouwen en kinderen op zijn schouders, zonden die zich op metafysische wijze in plaatsvervangende pis hebben omgezet en nu in de catacomben van de aarde verdwijnen, naar het binnenste van het dodenrijk waar niemand minder dan Beëlzebub himself onder het priesterlijke geklater wordt bedolven.

Yves PetryDe geesten (blz. 291, genomineerd door Joke van Overbruggen)
– Maar die precieze kennis, die ik destijds koesterde als het geheime specialisme van mijn ziel, was inmiddels verloren gegaan, net zoals ik de toegang tot mijn betere ik, tot misschien wel het beste dat ik ooit had gekend, achteloos had verspeeld.

Marja PruisOplossingen (blz. 78, genomineerd door André Keikes)
– Cool en romantisch, ik heb mijn haren nooit geborsteld, er mijn schoenen op uitgezocht en afgetrapt, ik heb niet echt leren autorijden, behalve op de Antillen, ik heb net mijn jongste broer gebeld om hem te feliciteren met zijn verjaardag, hij is zestig geworden, zestig, ik kan er niet bij – hij ook niet trouwens, hij heeft dit jaar weer een baby gemaakt – en ik ga nog steeds in het diepst van mijn wezen blootsvoets en met een gitaar op mijn rug door het leven; dat ik een huishouden voer met man en inmiddels volwassen kinderen, huisdieren er op na houd, zorg draag voor mijn moeder, het doet er niets toe, niet wezenlijk, mijn huis straalt het uit, de coolness en de flair, en in de barre praktijk van alledag betekent het dat ik omkom in de troep.

Marja PruisOplossingen (blz. 124, genomineerd door André Keikes)
– In Lucebert huisde een grote norse neger, in Nijhoff bewoog een gevangen dier, en in iedere vrouw – inderdaad, ik heb het nu niet meer alleen over mezelf maar over de halve mensheid, wel zo praktisch – zit een dikke vrouw.

A.L. SnijdersDoelloos kijken (blz. 49)
– Zelf geloof ik uit gemakzucht meer in het toeval, ik heb niet genoeg uithoudingsvermogen om de uitgang van een complot-labyrint te vinden.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 103, genomineerd door Michael ter Maat)
– En hier ben ik, kruipend naar die plek die tot vandaag zijn angstparfum van gele orchidee, passiebloem en mest uitwasemt, in een poging te aanschouwen wat ik daar geweest ben: het laatste poppetje in de matroesjka, met de scheef geschilderde kommaoogjes, het poppetje dat je niet kan openen.

Zin nomineren