Nominaties Tzum-prijs 2018

Hieronder staan de nominaties voor de Tzum-prijs 2018 (voor de mooiste zin uit een boek van 2017!). U kunt zelf ook nog tot eind augustus een zin nomineren, zie het formulier onderaan de bladzijde. De voorwaarden zijn:

– De zin moest staan in een oorspronkelijk Nederlandstalig prozawerk dat in boekvorm voor het eerst is gepubliceerd in 2017 (geen eigen beheer-uitgaven).
– Iedereen mag inzenden, iedereen mag meer dan één zin inzenden.
– Inzendingen vermelden met het citaat en bladzijdenummer.
– De deskundige jury (redactie Tzum) voegt zelf ook zinnen toe. Bij meer dan drie genomineerde zinnen uit één boek kan de jury een voorselectie maken.
– Vermeld uw eigen naam en adres. Alleen uw naam wordt genoemd als inzender bij de nominatie.

Onder de inzenders worden drie exemplaren van De hoed van Federico – Highlights en hotspots van literair Spanje van Marijke Arijs verloot.

(Zinnen van redactieleden en/of medewerkers aan Tzum mogen wel worden ingezonden, maar worden uitgesloten voor de eindstrijd.)

Voor de duidelijkheid: nomineren betekent dat u zelf zinnen kunt toevoegen aan de nominaties, niet dat u kunt stemmen op één van de onderstaande nominaties.

De nominaties van de vorige jaren staan in het archief.
Alle winnende zinnen vanaf 2002 zijn hier te lezen.

De nominaties tot nu toe:

W.A. DehairsLockdown (ingezonden door Darja Pecovnik, blz. 9)
– Wij waren geen volk van opstandelingen, wij waren een volk van volgers; pragmatisch in plaats van ideologisch, sussend in plaats van opiniërend, berustend in plaats van bevlogen.

Michelle van DijkDarko’s lessen (blz. 104, ingezonden door Ralf Emmerich)
– Die nacht droomde ik van oorlogen en van een blauw konijn; en van jou en Thelma en een sportschool die ineens veranderde in een middeleeuwse martelkamer; en van twee kinderen, een jongen en een meisje die samen onder een abrikozenboom liggen, de zon schittert tussen de takken door, en elke keer als je het geluk kan voelen, als je denkt dat het er is, dat het er echt is, dat ik die jongen ben, dat zij, dat meisje, mijn vrouw gaat worden, dat alles goed en warm en mooi is, dat je alleen nog die geur wil opsnuiven, die abrikozen, dan vervliegt alles, eerst verdwijnt zij, dan de abrikozenboom, dan de zon.

Martin Michael DriessenDe pelikaan, blz. 198
– Tijdens de laatste trage omwentelingen van het rad lag de kogel al stil en kon niet meer van zijn plaats komen, een kind op een carrousel, een troonopvolger die aan het volk wordt getoond, maar alles maakte plotseling plaats voor het besef dat hij doodging en hij herkende het kind niet en zou nooit weten wie de nieuwe koning was.

Rob van EssenWinter in Amerika (blz. 23)
– We maakten allebei deel uit van een studiegroepje dat regelmatig bij elkaar kwam om moeilijke filosofische teksten te lezen, en zo waren we ook een paar keer op zijn kamer beland, in de studentenflat in Amsterdam-Noord die de bijnaam ‘Jumping Amsterdam’ had omdat er zoveel mensen vanaf sprongen.

Maxim FebruariKlont (blz. 7)
– Hoog boven de wereld stond een menselijke maan.

Maxim FebruariKlont (blz. 23)
– Voor zijn lichaam is hij zorgzaam, alsof het een huisdier betreft dat hij tijdelijk te logeren heeft.

Maxim FebruariKlont (blz. 59)
– En in een uiterste krachtinspanning, om het kostbare evenwicht niet te verstoren dat ze hadden opgebouwd in de vijftien jaar die dit huwelijk nu al duurde, beperkte ze haar kritiek op het krankzinnige verloop van de vermaledijde middag to een spot die alleen Bodo leek op te merken: ‘Of ben je toe aan iets sterkers?’

Maxim FebruariKlont (blz. 79)
– Het was intussen een paar dagen geleden dat hij zijn zelfmoordbrief had verstuurd, en al met al was het enig merkbare effect van die kortstondige crisis dat het over de gehele wereld was gaan regenen en dat het niet meer ophield.

Maxim FebruariKlont (blz. 92)
– Je zit als volwassen man in je eigen huis, een kom vanille-ijs op schoot, de familie als een warme deken om je heen en je denkt: sinds wanneer heet dit het hoogtepunt van mijn leven?

Maxim FebruariKlont (blz. 106)
– Haar voeten lagen op een van de keukenstoelen; ze sloeg haar arm over de stoelleuning en ging zo uitgebreid achteroverhangen dat haar buik als een moreel oordeel boven het tafelblad uitstak.

Maxim FebruariKlont (blz. 163)
– Tot vervelens toe was ze zich bewust van de smerige gedachten die in mannen opwelden zodra ze haar weke melk- en meelmond zagen in haar bleke gezicht van pannenkoekendeeg.

Gerjon GijsbersScheuren in het canvas (ingezonden door Alek Dabrowski, blz. 98-99)
– Dat een gigantisch ras als de steppemammoet, die op een dieet van gezonde voeding en genoeg slaap zwaarder kon worden dan een Tyrannosaurus, het wist te presteren om uit te sterven, terwijl nietige wezens met een voorkeur voor het nuttigen van verslavende rotzooi en het bezigen van verkleinwoordjes zich redelijk ongeschonden een weg door de geschiedenis baanden en vele tijdperken later op slecht georganiseerde feestjes een eigen versie van Hermes House Bands ’I will survive’ stonden te kokhalzen.

Marjolijn van HeemstraEn we noemen hem (blz. 27)
– Het geborrel onder mijn navel kan onmogelijk de voorbode zijn van werkelijke benen die op een dag over onze planeet wandelen, linksom of rechtsom gaan, verkeerder paden volgen in een gigantisch rommelig leven.

Marjolijn van HeemstraEn we noemen hem (blz. 200)
– Er was geschreeuw, van de gynaecoloog, van mezelf, van je vader, van vrouwen in andere kamers, overal geschreeuw en een afschuwelijk inwendig kraken, alsof er botten moesten wijken voor jouw brede babyhoofd, er was gedempt licht waardoor ik voortdurend het gevoel had in een limbo te liggen, een naargeestige schimmenwereld waarin we elk moment konden verdwijnen, ik wilde de lampen op volle sterkte, zien, gezien worden, maar steeds als ik daarom wilde vragen lichtte een nieuwe wee me uit mijn voegen en hoorde ik mezelf grommen en brullen, een diep, aangekoekt geluid, dwars door alle weeën heen schaamde ik me voor dat rauwe brullen, dit ben ik niet, riep ik, dit ben ik niet, maar steeds werd ik overstemd door een oud en woedend wijf in mijn keel, iemand zei: nog één keer persen en dan is hij er, en dat herhaalde ze en herhaalde ze, tot ik zeker wist dat ik niet meer kon, ik herinner me dat ik leegliep, een uitgeblazen ei, jij hing boven me, donkerpaars, van top tot teen bedekt met een slijmerige laag en het eerste waar ik aan dacht was de overrijpe pruim die ik ooit op de bodem van mijn rugtas vond maanden nadat ik hem daar was vergeten.

Marjolijn van HeemstraEn we noemen hem (blz. 203)
– Van alle mogelijke gevoelens die een geboorte teweeg zou kunnen brengen had ik misselijkheid wel het minst verwacht.

Murat IsikWees onzichtbaar (blz. 7)
– In de tijd dat de eerste springers te pletter vielen van onze flat, begon mijn vader aan zijn nachtelijke pleziertochten door Amsterdam.

Teun van der KeukenGoed volk (blz. 19)
– Een school die weinig te bieden had voor ouders die hun kinderen vooruit wilden helpen in het leven, maar die zich voor een gerespecteerd lid van de linkse witte culturele elite wel uitstekend leende voor een statement tegen segregatie.

Emily KockenDe kuur (blz. 132, ingezonden door A.H.J. Dautzenberg)
– In het dal beneden vingen de kerkklokken aan met luiden, aarzelend, het beieren in binaire bimbam steeds stabieler, een ritme dat er een tijd de schijn van had heel strak te zijn, de slagen van een metronoom, vervagende resonans in de beker van de vallei.

Lieke MarsmanHet tegenovergestelde van een mens (blz. 11)
– ’s Avonds lag ik met mijn armen langs mijn lichaam onder mijn dinosaurussendekbed, soms kaarsrecht, soms met mijn benen licht kromgetrokken, en probeerde voor heel even de gestalte van mijn lievelingsgroente aan te nemen

Lieke MarsmanHet tegenovergestelde van een mens (blz. 12)
– Als kleuter had ik erop gestaan dat mijn kamer kleurrijk bespikkeld behangpapier zou krijgen, papier dat een eindeloze stroom neerdalende confetti suggereerde, en daardoor was reepjes behang van de muur trekken naast fantaseren dat ik een komkommer was mijn andere bedtijdritueel.

Lieke MarsmanHet tegenovergestelde van een mens (blz. 80)
– Als ik aan schrijvers dacht, zag ik mensen voor me die rustig, met alle tijd van de wereld, in een slecht verlichte kamer het ene woord na het andere op papier zetten, zo nu en dan iets wegstreepten, opnieuw begonnen, een bladzijde verscheurden, maar rustig dus, erop vertrouwende dat de volgende bladzijde meer geluk zou brengen.

Lieke MarsmanHet tegenovergestelde van een mens (blz. 94)
– Iedereen loopt maar weg met de zee tegenwoordig.

Mariët MeesterDe tribune van de armen (blz. 62)
– Mét dieren hadden wij het altijd beter dan zonder, mits het dieren waren die voor ons werkten en geen vlees aten.

Mariët MeesterDe tribune van de armen (blz. 121)
– Ter voorbereiding op de middagmaaltijd had ik alvast een steelpan met eieren voor de salade op het elektrische fornuis gezet, en ik realiseerde me dat die eieren zich daar nog steeds bevonden, in het gebouw dat ik een stifttand noemde en dat nu nog licht van kleur was, maar dat binnen afzienbare tijd zwartgeblakerd aan de Plaza de los Cristos zou staan.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (blz. 14)
– Waarna ik dan maar weer een warme kroket van Oma Bob uit de muur trok en me genietend tussen de smulpapen naar huis begaf, met vette lippen en het besef dat mijn guilty pleasure me alvast volmaakt met de mensheid verbond en verbroederde.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (blz. 23)
– De vervoering sloop weg als een geslagen hond en met de kerstliedjes die we na het diner altijd bij de boom zongen was het ook gedaan.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (blz. 83)
– Voortdurend sla ik mijn kleren af waarbij dikke rookwolken ontstaan die me het aanschijn geven van iemand die in de fik staat, maar dan zonder de koesterende warmte daarvan.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (blz. 106)
– Leefde ik maar in de achttiende eeuw, fluister ik in mijn kussen, zodat ik me sluimerend kon verheugen op mijn dood in de overtuiging dat tenminste mijn gepoederde pruik me overleven zou.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (blz. 112)
– Wie alleen leeft en geen king- of queensize bed heeft aangeschaft mist stellig de hoop dat de koning of koningin nog ooit zal komen.

Charlotte MutsaersHarnas van hansaplast (ingezonden door Joke van Overbruggen, blz. 160)
– Wat knap dat iemand zichzelf zó raak en ongenadig weet te typeren zonder geploeter, zonder computer, zonder ook maar een seconde over vorm en inhoud na te denken, en wars van alle literaire codes en conventies.

Erik NieuwenhuisErgens op het eind (blz. 39)
– Het dak van een gedroomde woonwagen hoeft nooit ontmost te worden, die ruikt na een winter in een boerenschuur naar karamel en vanille als je hem eind maart voor het eerst betreedt.

Erik NieuwenhuisErgens op het eind (blz. 41)
– Na de emotionele achtbaan van een studentenleven met z’n kameraadschappen en verliefdheden, na alle pogingen om mijn kleine hersentjes te vullen met kennis – al die boeken, al die artikelen, kranten en tijdschriften – na de onrust van de jaren tachtig, die de zomer waren van mijn leven, was ik een mooi eind op weg om me met een voorraad beukennootjes terug te trekken in mijn eigen oude, holle boom.

Erik NieuwenhuisErgens op het eind (blz. 79)
– Dat er beweging in die aangeklede stopnaald zat, merkte je pas op zaterdagavond, toen d’r vriendje een nacht kwam logeren.

Erik NieuwenhuisErgens op het eind (ingezonden door Giny Backers, blz. 84)
– Een tijdschrift is het dode eindproduct van een artistiek proces dat je als een autonoom kunstwerk zou moeten beschouwen.

Joubert PignonMooie lieve schat
– Omdat één vriendje Mark heette, net als de acteur die Luke Skywalker speelde, Mark Hamill, en een ander vriendje bruin haar had, net als Han Solo, moest ik altijd Chewbacca zijn wanneer we Star Warsje speelden.

Ilja Leonard PfeijfferPeachez, een romance (blz. 22, ingezonden door Cilla Geurtsen)
– De stad verschafte mij in heel haar concrete bestaan met het voelbare gewicht van mijn lederen schoenzolen op de door de eeuwen heen tot zachte vormen afgeronde kinderkopjes van haar straten en met mijn blik op de tastbaarheid van gevels en fonteinen, terwijl de reëel bestaande beslommeringen van stedelingen met hun gesprekken gonsden in mijn oren en ik de zilte zeelucht opsnoof die de westenwind bracht, op mijn dagelijkse wandelingen een welkom contact met de werkelijkheid die anders wellicht zou dreigen te vervliegen met de hoge vlucht van mijn gedachten.

Ilja Leonard PfeijfferPeachez, een romance (blz. 56-57, ingezonden door Cilla Geurtsen)
– Hoewel ik in mijn huidige situatie niets meer te winnen heb door wat ook maar te verbergen en mijn getuigenis zonder consequenties zou kunnen bevlekken met eerdere bekentenissen en hoewel mijn hechtenis mij meer vrijheid verschaft dan ooit om volkomen oprecht te zijn, waarvan ik op de ongelinieerde pagina’s van dit boek gretig gebruikmaak, kan ik met de beste wil van de wereld niets anders zeggen dan dat ik voor mijn studentes, de bloem der natie die voor mijn ogen ontlook in de collegebanken, in al die jaren uitsluitend en alleen belangstelling heb gekoesterd in zoverre het hun intellectuele capaciteiten betrof en dat louter op de gepaste afstand die mijn professie vereist.

Rinus SpruitBroeder, schrijf toch eens! (23)
– In de schuur stonden hun zondagse fietsen onder witte lakens, zo bleven ze lang nieuw.

Rinus SpruitBroeder, schrijf toch eens! (54)
– Een ambtenaar met een brilletje pakt een pen en een liniaaltje en streept met een keurig rechte lijn het leven door.

Annelies VerbekeHalleluja (blz. 76)
– Nadat een tekort aan arbeidskrachten de zorgsector een halve eeuw lang stukje bij beetje had uitgehold en een schokkend aantal door verplegend personeel vergeten bejaarden op toiletpotten was teruggevonden, had Europa het laatste decennium sterk geïnvesteerd in robots om het werk op te knappen.

Arjen van VeelenAantekeningen over het verplaatsen van obelisken (blz. ?, ingezonden door Daan Pieters)
– En dan keek hij rond in de schemering en citeerde hij een schrijver die had gezegd dat Parijs kan aanvoelen als een troosteloos tankstation en een troosteloos tankstation als Parijs, afhankelijk van met wie je er bent.

Thomas VerbogtHoe alles moest beginnen (blz. 156, ingezonden door Joke van Leeuwen)
– De kamer waarin we zitten doet me denken aan films over Engelse adel, mensen die zich voortdurend omkleden en gracieus beklemd zijn in hun bestaan.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40 (blz. 52)
– In de etalage stonden deprimerende boeketten; alsof ze eerst ergens op een graf hadden gestaan, in opdracht waren geroofd, met sproeiwater en voeding waren opgekalefaterd om ze vervolgens voor de verkoop gereed te maken.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40 (blz. 188-190, ingezonden door Ivar Schute)
– Met delicatessen die op dat moment amper verkrijgbaar waren, anders dan voor veel geld en met de juiste contacten op de zwarte markt, hadden de heren op de derde verdieping een tafel laten dekken in een verder leeg, verduisterd zaaltje, onder een goudkleurig metalen plafond; de gebruikelijke feesttafel met schalen fruit, donkergroene flessen Sovjet-champagne, de halzen van geribbeld zilverpapier, kruikjes wodka, Georgisch mineraalwater dat rook naar de tandarts en zakoeski – koude hors-d’oeuvres als rundvlees, varkenspastei in gelei, plakjes veulenvlees, vliesdun gesneden rode zalm, witvis, van mayonaise druipende eieren, dobbelsteentjes rode biet met zilveruitjes, azijn en dille, wit en zwart brood – wat al meteen, voordat het hoofdgerecht arriveerde, door twee in groene zweetjasjes toeschietende obers gedienstig werd aangevuld met julien, de oer-Russische warme lekkernij, ondanks de Franse benaming, bestaande uit kip dan wel paddenstoelen in ragout, heet uit de oven, met een laagje gesmolten kaas en zure room in poppenhuissteelpannetjes opgediend, met witkartonnen kransjes aan de stelen tegen het branden van de vingers tijdens het weldadig palatumvolle romige leeglepelen, alsook botervette blini’s voor de rode en zwarte kaviaar, waarvan de laatste in die jaren nog met kilo’s tegelijk werd verhandeld, door nachtelijke stropers in wormstekige vissersbootjes op de bovenloop van de Wolga met de hand werd geschept uit de eerst nonchalant met een scherp mes opengesneden buiken van de steur, het met de kostbare kuit meegekomen bloed er zoveel mogelijk in een ronde zeef werd uit gespoeld, gezouten en snel in blikken gestopt, om via het netwerk van smokkelaars over de weg, per boot en door de lucht zijn criminele weg te vervolgen, tot de loungebars van Parijs, Milaan en New York aan toe, met als epicentrum de oude markt van Astrachan, vergeven van de corrupte politieambtenaren, met hun bigotte purperen drankkoppen, die lijken op klaprozen, waar tevens torpedovormige, heerlijke zoete meloenen werden verkocht en af en toe nog weleens een verdwaalde kameel stond, malend met zijn domme kop en scheve kaken, stinkend, belaagd door grote vliegen, aan een paal tussen de zwerfhonden, de zwerfpoesjes en de geopende spierwitte zakken met specerijen uit Midden-Azië, waaronder het stofgoud der saffraan, onder de stralen zonlicht die door de overkapping van het marktzeil heen drongen fonkelend opblinkend, de zwarte kaviaar, het eetbare zwarte goud, waarvan de consumptie in de nadagen van de USSR naar een hoogtepunt werd gevoerd, een laatste opbloei beleefde voor de vrijwel totale neergang, dionysisch, want het decennium daarop, toen ook in het zuiden van Rusland tijdens de achtbaanjaren na het uiteenvallen van de USSR een free for all aan de gang was, de vervuiling van het water apocalyptisch was geworden en het laatste staatstoezicht op de overbevissing van de steuren en de stroperij was verdwenen, werd de jacht op de wondervissen, die het met hun stompe koppen honderden miljoenen jaren op de aarde hadden uitgehouden, niet langer slechts uitgevoerd door arme sodemieters in gammele sloepen, proberend wat bij te verdienen, maar werd aan de laatste beloega’s, sevroega’s en asetra’s letterlijk de oorlog verklaard door onder anderen moslimkrijgsheren in Dagestan, residerend in marmeren paleizen met gouden kranen achter hoge muren, bewaakt door slaven met kalasjnikovs, die vanuit hun slaapkamers uitkeken op het plaatstaal van de Kaspische Zee, waarop hun privétroepen met schepen uit de vroegere Sovjetvloot en uit het Westen geïmporteerde supersonische speedboten, voorzien van de modernste, met satellieten verbonden detectieapparatuur, de laatste steuren onder water opspoorden, nog voordat ze hun duizelingwekkende oude paaigebied van de Wolga hadden bereikt, de vissen naar boven werden gehaald, met messen als kromzwaardjes de buiken woest werden opengesneden, een jihad tegen de dieren, waarbij de nog lang niet rijpe eitjes met soeplepels werden uitgeschraapt en in plastic bakken geworpen, en de vislijken teruggegooid tussen de golven, het witte schuim even frisdrankachtig frambozenrood kleurde, onder het waanzinnige gejuich van de zeevogels: zaken die ik zelf heb meegemaakt, die ik zou beleven, in een hoedanigheid die ik op dat moment niet voor mogelijk had gehouden, die ik zelfs hartgrondig zou hebben verafschuwd, want later zou mijn leven opnieuw een richting inslaan die hooguit een gek voordien had kunnen bevroeden, en wat – ten slotte – die zwarte kaviaar betreft: voor mij was de tragedie met de steuren, hun langzame maar gestadig en onafwendbaar verdwijnen uit de vrije natuur, het symbool van de ondergang van Rusland, waarbij het de vraag is wat op een dag het symbool zal zijn van zijn wederopstanding, al ben ik dan waarschijnlijk zelf het droeve lot van de steuren reeds lang achternagegaan.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– De dood is als een vlooienplaag die bezit neemt van een huis en amper te bestrijden is.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– De eerste avond dat ik bij Julia bleef slapen, had ik vol walging de communale badkamer betreden waar de wit emaillen kuip bijna geheel bruin was geworden door het roestige water, wasgoed aan een myriade van lijnen te drogen hing, kakkerlakken van alle kanten wegschoten en zowel de muur als het plafond een atoomramplandschap vormde van vochtvlekken, verfpokken en oranje schimmels.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Net als vermoedelijk ieder mens had ik in de loop der jaren mijn particuliere voorstellingen gemaakt van de hel.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Het antieke meubilair werd woest opzij geschoven, de subtropische palmen in hun potten stonden te versterven, de legendarische Romeinse badkamer van de kunstenares verwerd tot een afvalbak voor peuken, papier, vodden en andere troep, de vestibule veranderde in een doorgangshuis van stinkende, de godganse dag rokende en zonnebloempitten uitspuwende soldaten, opportunisten en ander volk, terwijl de witte concertvleugel uit Berlijn die de privédansstudio sierde werd bekrast en overgoten met thee, wodka en andere drank, en haar oosters ingerichte slaapkamer het zenuwcentrum werd van de Pravda, de Waarheid, de krant die in zijn eerste dagen evenmin de waarheid sprak als zeventig jaar later, toen ik deze als student las, met zwarte vingers van de goedkope drukinkt

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Dat het zich conformeren aan en verschuilen achter de groep, zich manifesterend in een lafhartig stilzwijgen dan wel in een bijvallend gejoel of applaus, niet alleen bij volwassenen, maar reeds bij kinderen is ingebakken, besefte ik op een hete augustusdag, toen ik voor het eerst naar het lyceum was gegaan.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Zou deze stad op een andere breedtegraad liggen, in een ander landschap, met een andere stand van de zon, zonder de ellenlange grijze maanden van regen, mist en grauwheid, niet op deze schrale moerasgrond staan, in de bodem waarvan de botten liggen van de ontelbare stakkers die hun leven bij de bouw ervan hebben gelaten, maar op een rots, te midden van fraaie glooiende heuvels, met de zwartinkten silhouetten van olijfbomen en cipressen, dan zou Sint-Petersburg met zijn grande armée van mintgroene, zachtroze, bosbesrode en geel gesausde pleisterwerkgevels Florence met gemak naar de kroon steken.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Met de kalme gang van de man van middelbare leeftijd liep ik naar de Nevski Prospekt, langs het vroegere woonhuis van Dostojevski, met bij het kerkje een marktje waar verschrompelde vrouwtjes vanaf kistjes fruit, groenten, vetspek en vis stonden te verkopen, alsof de Sovjettijd nog altijd voortduurde.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– Het gros schrijft met een knikker in de reet, uit vrees te verraden dat ook zij een aars hebben die kan stinken.

Pieter WaterdrinkerTsjaikovskistraat 40
– De drank kan het niet zijn; slechts twee flesjes witte drinkwijn, een halfje rood, wat druppels bananenlikeur voor de zoetigheid, drugs heb ik nooit gebruikt, maar toch is het alsof ik hallucineer.

Bernard WesselingGezelschapsjongen (ingezonden door Eran, blz. 26)
– Ik geef toe dat ik mijn aantrekking tot oudere vrouwen eerst verwarde met de behoefte aan altruïsme.

Bernard WesselingGezelschapsjongen (ingezonden door Eva, blz. 44)
– Ik had het kunnen weten: ze had een kont als een Mariaverschijning.

Aukelien WeverlingIn alle steden (blz. 71)
– Haar tanden waren het medaillewerk van streberige orthodontist en tandarts, glanzend wit als de kap van een novice en recht als nieuwbouwhuizen en ze rook zoals winterdagen ruiken als je te vroeg de straat op gaat, fris en kraakhelder met de zware, spannende ondertoon van vrieskou.

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 8)
– De avond was fris, er hing een zweem van bleekselderij boven het gras.

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 11, 12)
– Je wist niet of het mocht, dat zulke mensen zich voortplantten, maar het onheil was al geschied; buiten het toezicht van een of andere instantie hadden ze hun ongeluk tweemaal vermenigvuldigd.

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 29)
– Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, want we wonen aan een drukke weg .

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 58, 59)
– Hij had een groot hart, Baptist, maar in een groot hart kun je niet wonen, zodat hij op zoek ging naar een nieuwe cafetaria met woonhuis waarin hij zijn Chinese invasie kon onderbrengen.

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 95)
– Haar haar was dof en vet, alsof de bakolie er bij haar geboorte was ingetrokken om er nooit meer uit te gaan.

Tommy WieringaDe heilige Rita (blz. 175)
– Van de kinderen die ze baarde en zoogde, van een dode man en het verstrijken van de tijd sprak het lichaam van Ineke Wessels, en grijs als as was haar schaamhaar.

Zin nomineren