Nominaties Tzum-prijs 2019

Hieronder staan de nominaties voor de Tzum-prijs 2020 (voor de mooiste zin uit een boek van 2019!). U kunt zelf ook nog tot 15 juli augustus een zin nomineren, zie het formulier onderaan de bladzijde.

De voorwaarden zijn:

– De zin moest staan in een oorspronkelijk Nederlandstalig prozawerk dat in boekvorm voor het eerst is gepubliceerd in 2019 (geen eigen beheer-uitgaven).
– Iedereen mag inzenden, iedereen mag meer dan één zin inzenden.
– Inzendingen vermelden met het citaat en bladzijdenummer.
– De deskundige jury (redactie Tzum) voegt zelf ook zinnen toe. Bij meer dan drie genomineerde zinnen uit één boek kan de jury een voorselectie maken.
– Vermeld je eigen naam en adres. Alleen je naam wordt genoemd als inzender bij de nominatie.
– Zinnen van redactieleden en/of medewerkers aan Tzum mogen wel worden ingezonden, maar worden uitgesloten voor de eindstrijd.

Voor de duidelijkheid: nomineren betekent dat je zelf zinnen kunt toevoegen aan de nominaties, niet dat je kunt stemmen op één van de nominaties.

Onder de inzenders worden drie exemplaren van De klok van Iris Murdoch verloot.

De nominaties van de vorige jaren staan in het archief.
Alle winnende zinnen vanaf 2002 zijn hier te lezen.

De nominaties tot nu toe:

Abdelkader BenaliDe weekendmiljonair (blz. 90)
– Hij verkocht wel heel veel verschillende aardappelen met zoveel verschillende namen dat het me na de vele bezoeken duidelijk werd dat iemand een leven lang aardappels kon verkopen zonder te hoeven zeggen dat hij zich verveeld had.

Hanna BervoetsWelkom in het rijk der zieken (blz. 254)
– Ik schaamde me voor mijn aanwezigheid, omdat die niet langer vanzelfsprekend was, en ik schaamde me omdat ik deed, omdat we allemaal deden, of dat wel zo was, en omdat we daarin faalden.

Ad ten BoschDe IJssel stroomt feller dan de Amstel (blz. 187, genomineerd door Giny Backers)
– Het grootste provincialisme vind je in Amsterdam, zodra ze de stad uit moeten, lijken ze collectief te worden bevangen door ruimtevrees.

Charlotte Van den BroeckWaagstukken (blz. 78)
– Als mensen zouden vragen wanneer ik wist dat ik schrijver wilde worden, zou ik zeggen dat ik dat niet zo precies weet, terwijl ik eigenlijk sinds die middag op de speelplaats zeker wist dat ik later ‘leugenaar’ wilde worden.

Charlotte Van den BroeckWaagstukken (blz. 131)
– Wie zich op het waagvlak van de geschiedenis begeeft, daagt de vergankelijkheid uit.

Sacha BronwasserNiets is gelogen (blz. 55, genomineerd door L. de Bruijn)
– Optreden wordt gevolgd door drankzucht zoals bevallingen, bekentenissen en begrafenissen gevolgd worden door honger als een paard.

Peter BuwaldaOtmars zonen (blz. 12, genomineerd door Michael ter Maat)
– Uitdijende en krimpende maanden zijn het, waarin hij bedwelmd raakt door deze vriendelijke, belangstellende man in zijn rode of groene broeken en deftige visgraatjasjes met suède mouwstukken; Otmars joviale vitaliteit, zijn potige optimisme, er gaat een kracht vanuit die hij niet heeft aan zien komen.

Peter BuwaldaOtmars zonen (blz. 68, genomineerd door Michael ter Maat)
– ‘Hans én ‘Tromp’, ze kwamen niet via zijn oren binnen, maar via de telefoonbotjes in zijn ellebogen, ‘Hans’ links, ‘Tromp’ rechts, waarna ze als twee sonore projectielen zijn hersenen in schoten, elektrisch, vlijmend, en eenmaal daar begonnen ze om elkaar heen te spinnen, fluitende voetzoekers, een roterende dubbelster, steeds sneller, tot ‘Hans en ‘Tromp’ met een klap uit elkaar spatten.

Saskia de CosterNachtouders (blz. 85, genomineerd door Anna Arampatzis)
– Want zaten er tussen het moment van de sprong en het moment van het landen in het opspattende water geen duizenden frames, en duurde het niet eindeloos om beeldje voor beeldje verder te gaan, zodat ze nooit in het water terechtkwam want de afstand tussen haarzelf en het water zou altijd oneindig blijven, en een stapje dichter bij oneindig blijft oneindig?

Saskia de CosterNachtouders (blz. 136, genomineerd door Anna Arampatzis)
– Ze stonden om vier uur ’s nachts in de deuropening van het oude herenhuis met hoge plafonds waar Saskia een verdieping huurde en ze bleven maar praten in hun zelfgesponnen cocon omdat hun lippen elkaar niet durfden te raken en al pratend zette Juli haar voeten tegen de deurstijl, leunde met haar rug tegen de andere kant en kroop zo als een spin omhoog.

Saskia de CosterNachtouders (blz. 190, genomineerd door Anna Arampatzis)
– Ze wil dat haar mama het beter weet, dat haar mama alles weet en dat zij zich daar even aan kan overleveren en gewoon met haar ogen kan rollen en toch gehoorzamen.

Saskia de CosterNachtouders (blz. 327, genomineerd door Anna Arampatzis)
– In een vriendschap is vertrouwen ook: vragen niet stellen, dingen niet hoeven te weten en erop vertrouwen dat het goed is.

Anjet DaanjeDe herinnerde soldaat (genomineerd door Marie-José Klaver)
– En plots doorziet hij haar, hoe ze zichzelf al haar hele leven verzint, verliefd dienstmeisje, nette middenstandsvrouw, wachtende heldin, Flämische Engel, de weduwe die een wonder overkwam, het besef treft hem alsof hij een deur opent en een koude windvlaag hem in het gezicht slaat, en hij kijkt naar haar en hij weet niet wat het betekent, of ze altijd liegt, of ze zelf niet weet dat ze liegt, of haar leugens zo dicht langs de waarheid schuren dat niemand het een van het ander kan onderscheiden, of hij en hun gelukkige huwelijk ook tot haar leugens behoren, of hij van haar leugens houdt, meer dan van haarzelf, en dan is het moment van inzicht voorbij, of van verstandsverbijstering, want hij kijkt naar haar en hij ziet Julie, de vrouw van wie hij houdt, die onvoorwaardelijk van hem houdt.

Anjet DaanjeDe herinnerde soldaat (blz. 355)
– En hij wist niet dat hij een ding was waarvoor zij in gedachten een gebruiksaanwijzing had opgesteld, en hij zegt tegen haar dat ze het zo alleen erger maakt, en dat begrijpt ze niet, ze zegt dat `ze haar best doet om het voor hem en voor de kinderen, voor hen allemaal zo goed mogelijk te laten verlopen, en hij zegt, hoe denk je dat het is om in je eigen huis als een vreemde te worden behandeld, verdomme, kijk naar me, ik ben er nog, ik zit hier voor je op een stoel, ik heb gevoelens en gedachten en herinneringen, ik ben je man.

Anjet DaanjeDe herinnerde soldaat (blz. 431, genomineerd door Johanna Wentholt)
– En ze rapen samen het modderige wasgoed van de stenen en zij verzamelt binnen hun natte kleren die ze hebben uitgetrokken en hij helpt haar bij de was, hij schrobt en hij wringt, het is zwaar werk, mannenwerk, zegt hij tegen haar, en zij zegt dat vrouw zijn sowieso mannenwerk is, en ze lacht erbij en ze kijkt hem aan, een tikje aarzelend en zich tegelijkertijd bewust van haar blozende wangen en haar nog natte, donkere krullen en haar glanzende ogen.

A.H.J.DautzenbergGeestman (blz. 11, genomineerd door André Keikes)
– O fictie, help mij!

Stephan EnterPastorale (blz. 21)
– De trein reed nu gelijk op met het zonneschijnspattende riviertje, dat hier een paar honderd meter lang was rechtgetrokken.

Stephan EnterPastorale (blz. 285)
– Hij zag hoe overal in het land, in nieuwbouwwijken die neergedrukt en plat leken onder voortdrijvende wolken, terwijl de Hollanders kalmpjes verdergingen met welvarender te worden, oude Molukse mensen achter de ramen van hun huisjes zaten te wachten op de steeds verder naar de horizon wijkende kans dat Nederland eindelijk zijn belofte inloste – hun harten stuk voor stuk vuurtjes van machteloze woede die de komende tien, twintig jaar een voor een zouden uitdoven.

Ronald GiphartAlle tijd (blz. 7)
– In de zomer van 1989 kwam Düran Stojanovic aan in Utrecht, een onbeduidende criminele die voor de rest van onze geschiedenis van geen enkel belang is, behalve dat hij op zijn manier een rol speelde bij het ontstaan van onze vriendschap.

Wouter GodijnDe kamer waar alle verhalen begonnen (blz. 82, genomineerd door Giny Backers)
– In zijn hoofd begonnen verschillende stemmen, elk waarschijnlijk toebehorend aan een ander facet van zijn identiteit, door elkaar heen te praten, te kwekken zou je ook kunnen zeggen, terwijl weer een ander ik, dat pretendeerde de leiding te hebben, tussen de sprekers heen en weer snelde, als de meester in een rumoerig schoolklasje, en probeerde ze de mond te snoeren.

Wouter GodijnDe kamer waar alle verhalen begonnen (blz. 317, genomineerd door Giny Backers)
– En het was alsof hij alle familieleden van ‘in’ – ‘op’, ‘onder’, ‘naast’ en de andere – gezellig en beloftevol hoorde knisperen, als muisjes in een bak zaagsel.

Wessel te GussinkloDe hoogstapelaar (blz. 36, genomineerd door Michael ter Maat)
– Achteloos liep hij tussen hen, breed en onverschillig, zijn schouders wat heen en weer wiegend – en niet afgemeten en precies zoals zij, de jongens die bij hem waren en meeliepen met montere pasjes, geanimeerd, een beetje opgewonden (Naar de jázzkelder! Op pad! Op pad!), zachtjes pratend onder elkaar en wat lachend; maar ingehouden, nog wat stil en ernstig, omdat hij deze avond zo was, en niet pratend tegen hem daarom, niet roepend en vragend zoals anders – alleen Chris soms, maar ach ja, Chris.

Wessel te GussinkloDe hoogstapelaar (blz. 95, genomineerd door Michael ter Maat)
– Maar begrip, herkenning: dat was het ergste, dat was het meest vernederende; niet raadselachtig en bewonderenswaardig – zoals het moest, zoals het hoorde – maar herkenbaar, met begrip en medeleven; zomaar een gewone jongen die Ewout, dat bleek nu.

Wessel te GussinkloDe hoogstapelaar (blz. 264, genomineerd door Michael ter Maat)
– En dan zwegen ze – ook zomaar, zonder beklemming, zonder angst of schuld; geen angst om niet gehoord te worden, niet belangrijk te zijn, niet mee te tellen – maar zwijgend omdat er niets te zeggen was.

Maarten ’t HartDe nachtstemmer (blz. 4)
– Lore bleek een gezelligheidsmens, ik ben een einzelgänger, dus wij pasten niet bij elkaar.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 58, genomineerd door André Keikes)
– Omdat de lotushouding mij problemen geeft, probeer ik de houding van de boterbloem, maar als ik daar te lang in blijf zitten, glibber ik weg uit mijn positie, die ik met vergeet-me-nietjes probeer terug te winnen – een vruchteloos pogen – tot er iemand met de ideale bos argeloze bloemen op de proppen komt.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 83, genomineerd door André Keikes)
– Ik zei: ‘Ik ben een wanhopige vrouw die in een verderfelijke poel vol padden en slangen haar hengel laat hangen en daaruit wellicht enigszins de moeite waard zijnde verdichtsels opvist om die aan het publiek te tonen met een flauw glimlachje van kijk, het stelt toch wel wat voor hè, ik leef mijn leven niet voor niets – en dan is er altijd wel iemand in het publiek die beamend knikt, op alles, of iemand die door een spasme de hele dag knikt, of iemand die niet beamend maar twijfelend knikt, of misschien is er zelfs iemand die welgemeend knikt – maar of ik het verschil tussen al die knikken zie, dat weet ik niet meneer, vraag mij maar niet meer wie ik ben hoor, want dat weet ik niet,’ – zei ik tegen de meneer en zag toen pas – te laat – dat hij ademloos had zitten te luisteren.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 94, genomineerd door André Keikes)
– Ik voel me zo klein tegenover mijn bezit….

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 104, genomineerd door André Keikes)
– Ik die mezelf graag ‘ik’ noem, vraagt zich af welke ‘ik’ deze ‘ik’ bedoelt als ze ‘ik’ zegt.

Sylvia HubersWat als we niet waren betoverd (blz. 122, genomineerd door André Keikes)
– Mijn bijzondere zelf stampvoette nog even, maar begon allengs de voordelen te zien van gewoon-maar-gewoon zijn.

Oek de JongZwarte schuur (blz. 3)
– Hij sloot zijn ogen en probeerde zich te concentreren op wat komen ging door zich de zalen van het Stedelijk voor te stelen, waar hij de afgelopen week zoveel uren had doorgebracht: zijn schilderijen, deels al aan de muur, deels nog ervoor op de vloer, kisten waaruit schilderijen tevoorschijn kwamen die hij soms tientallen jaren niet had gezien, de rolsteigers, de ladders, overal troep op de vloer, de mannen met hun witte handschoenen.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 13)
– Hij houdt niet van mensen met een stellige mening, zeker niet als het jonge mensen zijn – het zou jonge mensen sieren als ze begrepen dat hun perspectief beperkt is.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 39, genomineerd door Adam Maas)
– De herinnering brengt een schietspoel in beweging die op zijn levenslijn heen en weer gaat, steeds sneller, swoesj-swoesj, en in tellen een hele reeks herinneringen weeft, zodat een flard van zijn levensverhaal hem opeens als een rommelig wandtapijt voor ogen staat: de tocht met de Solex dus maar ook een fietstocht, veel later en met zomers weer, langs de Waal (‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien,’ declameerde zijn moeder, met haar handen los van het stuur en opgeheven, alsof ze de poëzie dirigeerde, ‘Ik zag de nieuwe brug…’); vervolgens, nog weer later, zijn oudste broer in een versleten bank op de gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, onderuitgezakt, suf van de medicijnen; dan de grijze, natuurstenen vensterbank in de studeerkamer van zijn vader met een foto van Ernest Hemingway; en ten slotte de met kraanwater gevulde zinken teil in het achtertuintje in de Pluimessenlaan, waarin hij en zijn broers op hete dagen konden afkoelen, en de limonade-ijsjes die zijn moeder op zulke dagen maakte in vormpjes van Tupperware, waar ze in korte tijd zowel de kleur als smaak uit zogen zodat er niets dan broos, doorschijnend ijs overbleef, kleur- en smaakloos natuurlijk, maar nog altijd een traktatie.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 49, genomineerd door Bernette Boukema)
– Toch blijft ze hem aankijken en hij blijft haar handen vasthouden en zo staan ze daar een tijdje, die twee, met die hele geschiedenis van ze, waar zij nauwelijks meer iets van weet maar hij wel want hij is degene die het zich allemaal herinnert, niet zij, zij is door haar ziekte kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik, kijk maar in de oubliette van haar ogen waarin de tranen opdrogen omdat ze de bron ervan alweer vergeten is, en een paar tellen vraagt hij zich af – niet voor het eerst – wat erger is: vergeten of herinneren.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 89, genomineerd door Nina Janssen)
– En als de baas opduikt uit zijn gedachten en in de ogen van de hond plonst, komt er als vanzelf een glimlach, ingegeven door de onbevangen dagdieverij van het dier, door die allerlichtste vorm van leven.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 109, genomineerd door Adam Maas)
– Hij legt een hand op een schouder hier, maakt een kwinkslag daar, als een politicus die door een bewonderend publiek naar het spreekgestoelte loopt om een potje te liegen.

Sander KollaardUit het leven van een hond (blz. 139/140, genomineerd door Adam Maas)
– In de stegen tussen de Nieuwstraat en de Vechtkade staan de gevels de verzamelde hitte van de dag af, pesterig, als om eraan te herinneren dat de planeet tolt en al over een paar uur deze zijde opnieuw naar de zon zal wenden, die geduldig is, en krankzinnig heet.

Sjoerd KuyperBizar (blz. 28, genomineerd door Inger Bos)
– ‘Je kunt vechten zonder taal,’ zei het meisje, ‘ik kan je wegsturen zonder taal, dan steek ik dit geweer tussen je ribben en ik grom en laat m’n tanden zien, we kunnen zwemmen zonder taal, huizen bouwen, lachen, zoenen, vrijen zonder taal.’

Sjoerd KuyperBizar (blz. 28, genomineerd door Inger Bos)
– Ze is geboren met een mond vol slagroom, daar moeten haar vloeken doorheen voor ze naar buiten komen.

Sjoerd KuyperBizar (blz. 181/182, genomineerd door Inger Bos)
– Als je zo’n glimlach op straat zag liggen zou je je hak erop zetten, en dan flink draaien tot je zeker wist dat hij tussen de tegels was verdwenen.

Vonne van der MeerVindeling (blz. 8)
– Er verschenen bloemen in het trapgat, een blauw gespoeld kapsel, de grote kraag van een bontjas.

Eva MeijerVoorwaarts (blz. 24)
– Petrus had het op de kippen gemunt, dus we moesten een hok timmeren.

Jan van MersbergenDe onverwachte rijkdom van Altena (blz. 20)
– De dominee houdt een afgemeten verhaal waarvan ik stukken al vaker heb gehoord en het orgel ramt er een paar gezangen of psalmen uit die maar door een paar mensen mee gemompeld worden.

Peter MiddendorpDe dood en de gladiolen (blz. 113)
– Voorzichtig probeerde ik het al eens hardop te zeggen. Gewoon, voor mezelf, bijvoorbeeld tijdens het tandenpoetsen, om alvast te testen of, en zo ja, hoeveel pijn het zinnetje zou doen: ‘Ach, degraderen is toch niet zo erg, de Keuken Kampioen Divisie?’ – en dan was het steeds toch even alsof het licht in de badkamer zijn warmte verloor.

Nicolien MizeeAllesverpletterende (blz. 204, genomineerd door André Keikes)
– Misschien dat degenen die het hardst op zoek zijn naar algemene regels juist degenen zijn voor wie er in den beginne een duidelijk systeem was – en daar door de samenleving niet alleen van zijn beroofd, maar zelfs wreed voor zijn gestraft.

Marcel MöringAmen (blz. 15, genomineerd door Ina A. Tanahatoe-Siepman)
– Je was de eerste mens, man en vrouw, vrouw en man, in het paradijs, hand in hand tussen wat nog een naam moest krijgen en nieuw was en vreemd, de vogelen, de beesten des velds, de wolken en de bergen, de eindeloze zee.

Cees NooteboomVenetië De leeuw, de stad en het water (blz. 8)
– De roze schemerlamp uit de luxe trein die in dat boek is achtergebleven heb ik samen met de mensen in avondkleding, de uitgebreide menukaarten, het Frans van de obers en hun uniformen al jaren geleden weggeborgen, net als het hemelsblauwe uniform van de man die over onze afdeling heerste en nu ronddwaalt in de kelders van de herinnering.

Cees NooteboomVenetië De leeuw, de stad en het water (blz. 15)
– Ik weet niet meer of het Baudelaire was die musea met bordelen vergeleek, maar zeker is dat er altijd veel meer schilderijen zijn die met jou iets willen dan dat jij iets met hen wilt.

Cees NooteboomVenetië De leeuw, de stad en het water (blz. 23)
– Schuifelende, driftige, haastige, trage, slenterende stappen, een orkest met instrumenten van leer, rubber, hout, sandalen, hoge hakken, laarzen, sneakers, maar altijd de menselijke maat, aanzwellend in de uren van het licht, dan, als het donker wordt, geleidelijk afnemend tot je alleen nog maar soli hoort, en ten slotte de eenzame aria van je eigen voeten weerkaatsend in de donkere smalle steeg, op de marmeren trappen, en dan alleen nog maar stilte, tot de stad voor de laatste keer iets wil zeggen: dat het ook in fabels middernacht wordt.

Cees NooteboomVenetië De leeuw, de stad en het water (blz. 169)
– Kroonluchters achter hoge vensters, de mensen achter die ramen als dansers zonder muziek, een geblindeerde watertaxi die geluidloos voorbijvaart met niemand zichtbaar achter het stuur, een meeuw die plotseling opvliegt, een nachtelijke gondel met twee mensen en een zwijgende gondelier, de stappen van de voorbijganger die je zelf bent in het territorium van de dode uren als je in de verte de watergedaante van de lagune voelt die als een oneindige zwarte vlakte om alles heen ligt en de stad lijkt te wiegen met al haar verhalen.

Cees NooteboomVenetië De leeuw, de stad en het water (blz. 197)
– Op de dag dat Venetië onder water verdwijnt zullen alle gevleugelde leeuwen van de stad opstijgen als een dodelijk eskader, nog één keer vliegen ze rond de Campanile met het geluid van honderd bommenwerpers, en verdwijnen dan over de lagune als een machtige zonsverduistering en laten de zinkende stad alleen.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 21, genomineerd door N. Goedkoop)
– De gevangene in zijn cel, de schipbreukeling op het eenzame eiland, de maagdelijke prinses in haar op slot gedraaide campanile, de wereld is een rijkgeschakeerde mars van inkervingen en ook ik draag mijn streepjes bij.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 31, genomineerd door N. Goedkoop)
– Mijn voorkeur voor de kleine boezem is in de loop der jaren niet onopgemerkt gebleven, het is een liefhebberij die geleidelijk een eigen leven is gaan leiden, inclusief de grappen van collega’s en vrienden, de geruchten op de achtergrond, het geknipoog en gefluister over dat de een het liefst een blonde wil, de ander gaat voor een grote kont, maar dat Van Deventer altijd het meisje met de kleinste borsten verkiest, borsten die ondanks hun geringe omvang meer dan voldoende genade brengen en die hij om die reden nooit eens baldadig tieten maar altijd hoffelijk borsten blijft noemen want tieten, tieten, dat beschouwt hij als de taal van stakkers.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 45, genomineerd door N. Goedkoop)
– Ik hou ervan om na de eerste duik in het zwembad een tijdje onder water te blijven, het lichaam lang te maken en mijn benen zo te bewegen dat ik het langs mijn dijen voel glijden; ik hou ervan om mijn mond onder de waterlijn te openen en het koude, chloorrijke vocht langs mijn verhemelte te laten tollen en te weten dat het kan en dat het mag en dat niemand mij zal tegenhouden; ik hou ervan om mezelf op mijn rug te draaien, de overdadige pens als een plotseling eiland uit het water te laten verrijzen, nat borsthaar tegen de huid te voelen, vanuit een ooghoek wat water in mijn navel te zien glinsteren en er met een wijsvinger in te roeren en zo te drijven tot het kippenvel zich van mij meester maakt; ik hou ervan me al drijvend van mijn zwembroek te ontdoen, met drie of vier vingers mijn balzak te strelen en aan de geslachtsdaad te denken, omdat het kan, omdat het mag, te mijmeren over het laatste meisje en de daarop volgende fantasieën over andere vrouwen met wie ik soms al wel en soms nog niet de liefde heb mogen bedrijven, beeldende gedachten waarin ook Galatea, de receptioniste van de Paradise Lodge en de Nederlandse dame op het vliegveld de revue passeren, en terwijl ik weer op mijn buik draai te voelen hoe mijn toch al niet bescheiden geslacht door het water waaiert en zich als wellustige slang tot wasdom verheft, omdat het kan, omdat het wil, o listigste ledemaat des velds, en mijn verlangens zich tot één gedachte samenspannen: ook ik ben een walvis.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 76, genomineerd door N. Goedkoop)
– Chinezen houden van Afrika zoals muggen van mensen houden.

Lodewijk van OordNiemand is van hier (blz. 235, genomineerd door N. Goedkoop)
– De pater staat te pissen met de zonden van tientallen vrouwen en kinderen op zijn schouders, zonden die zich op metafysische wijze in plaatsvervangende pis hebben omgezet en nu in de catacomben van de aarde verdwijnen, naar het binnenste van het dodenrijk waar niemand minder dan Beëlzebub himself onder het priesterlijke geklater wordt bedolven.

Yves PetryDe geesten (blz. 291, genomineerd door Joke van Overbruggen)
– Maar die precieze kennis, die ik destijds koesterde als het geheime specialisme van mijn ziel, was inmiddels verloren gegaan, net zoals ik de toegang tot mijn betere ik, tot misschien wel het beste dat ik ooit had gekend, achteloos had verspeeld.

Robert PollackDe taak (blz. 27, genomineerd L. de Bruijn)
– Dat was precies de aantrekkingskracht, dat de complexiteit onoverkomelijk leek, dat je hier nooit uitgekeken kon raken, je vragen nooit honderd procent beantwoord kreeg, dat in dit land de werkelijkheid een diepte verborg, soms duister, soms schitterend, die in de wereld daarbuiten niet bestond.

Marja PruisOplossingen (blz. 78, genomineerd door André Keikes)
– Cool en romantisch, ik heb mijn haren nooit geborsteld, er mijn schoenen op uitgezocht en afgetrapt, ik heb niet echt leren autorijden, behalve op de Antillen, ik heb net mijn jongste broer gebeld om hem te feliciteren met zijn verjaardag, hij is zestig geworden, zestig, ik kan er niet bij – hij ook niet trouwens, hij heeft dit jaar weer een baby gemaakt – en ik ga nog steeds in het diepst van mijn wezen blootsvoets en met een gitaar op mijn rug door het leven; dat ik een huishouden voer met man en inmiddels volwassen kinderen, huisdieren er op na houd, zorg draag voor mijn moeder, het doet er niets toe, niet wezenlijk, mijn huis straalt het uit, de coolness en de flair, en in de barre praktijk van alledag betekent het dat ik omkom in de troep.

Marja PruisOplossingen (blz. 124, genomineerd door André Keikes)
– In Lucebert huisde een grote norse neger, in Nijhoff bewoog een gevangen dier, en in iedere vrouw – inderdaad, ik heb het nu niet meer alleen over mezelf maar over de halve mensheid, wel zo praktisch – zit een dikke vrouw.

A.L. SnijdersDoelloos kijken (blz. 49)
– Zelf geloof ik uit gemakzucht meer in het toeval, ik heb niet genoeg uithoudingsvermogen om de uitgang van een complot-labyrint te vinden.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 24)
– Mijn zus, ik haast mezelf dit te zeggen, vertegenwoordigde geen economische waarde en droeg al jaren niet meer bij aan de staatshuishouding.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 33)
– Als kind verwonderde ik me al over de kronkelader van pijn en geweld die dwars door ons familieleven liep.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 33)
– Schitterende belletjes van glas, die gefixeerd in ons familiegeheugen nog steeds krachtig in ons kunnen openspatten, en van mij, hun zelfbenoemde archivaris, vragen om de scherven op te nemen in nieuwe vertellingen en constellaties.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 51)
– Uit schaarse anekdotes kan worden afgeleid dat onze opa een driftige en weinig consequente man is geweest, die zijn personeel in de garage vloekend het vloeken verbood (‘Als er hier gooooodverdomme gevloekt moet worden, dan doe ik dat gooooooodverdomme zelf wel’), en dat onze oma van vaderskant, met de deftige Franse achternaam Lambremont, een fraai handschrift had bezeten.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 53)
– Hoe moeilijk het ook is toegang te krijgen tot de jongeman die mijn vader moet zijn geweest, en hoe eenvoudig het is te vergeten dat ook zijn jeugd eens een open ruimte was, grond die nog beplant moest worden, ik besef dat hij net zo gebeeldhouwd is door zijn tijd en het gevolg is van wat door de samenleving mogelijk werd gemaakt als Donald Trump, ondernemer-president nu.

Manon UphoffVallen is als vliegen (blz. 103, genomineerd door Michael ter Maat)
– En hier ben ik, kruipend naar die plek die tot vandaag zijn angstparfum van gele orchidee, passiebloem en mest uitwasemt, in een poging te aanschouwen wat ik daar geweest ben: het laatste poppetje in de matroesjka, met de scheef geschilderde kommaoogjes, het poppetje dat je niet kan openen.

Anton ValensChalet 152 (blz. 53)
– Een van de eigenaardigheden waarvoor de schilder van lantaarnpalen zich gesteld ziet is dat hij bij voortduring tegen het licht in kijkt.

Niña WeijersKamers antikamers (blz. 38, genomineerd door Miriam Piters)
– En terwijl ze dit denkt realiseert ze zich dat haar verhaal, compleet met het inzicht dat volgt, precies het soort verhaal is dat een gemiddelde cursist in een gemiddelde schrijfcursus zou schrijven; mild realisme met een levensles voor de verteller.

Niña WeijersKamers antikamers (blz. 164, genomineerd door Miriam Piters)
– Nog nooit heeft ze zich zo geschaamd, nog nooit is ze zo woest geweest op haar moeder, die haar hier niet voor heeft behoed terwijl dat haar taak is, haar enige taak als je erover nadenkt, het lichaam van haar kind beschermen tegen alle schaamte die het plotseling opwekt, maar haar moeder schaamt zich ook, ze voelt het, haar moeder schaamt zich via haar dochter voor zichzelf.

Niña WeijersKamers antikamers (blz. 213, genomineerd door Miriam Piters)
– (Misschien, dacht ze wel eens, wanneer ze door die berichtjes van hem ploegde, bestond alle taal om eerdere taal te rectificeren – een even ontroerend als doodvermoeiend gegeven.)

Robbert WelagenAntoinette (blz. 100)
– Ze was een joggende vrouw, in zo’n strakke legging: ik herkende iets in de bewegingen van haar lichaam en in de houding van haar hoofd; ze rende de hoek om.

Maartje WortelDennie is een star (blz. 157)
– Ze zei: Nu je sterft, lieve Den, nu je een sterfelijk dier blijkt met echt bloed dat door echte organen wordt gepompt door een echt hart, ben ik ineens bang dat we je eenzaam hebben gemaakt, als kat, ik bedoel, door je als een god te vereren, dat we niet genoeg zagen wat je concrete werkelijkheid was, los van alles, alles, alles wat we van jou en onszelf maakten, al weet ik niet of het iemand, wie dan ook, gegund is om als neutrale werkelijkheid te bestaan, misschien gebeurt dat alleen op moleculair niveau en zelfs dan, zelfs dan zou je kunnen zeggen dat iedere molecuul gekleurd wordt door andere moleculen, maar wat ik wilde zeggen, lieve Dennie, je bloedt, nee, wat ik wilde zeggen is dat de werkelijkheid ook alleen maar bestaat bij de gratie van het niveau waarop je die bekijkt, en nu ik hier sta probeer ik op jouw niveau naar jou te kijken, maar ik ben een ontoereikend mens en ik zit vast in mijn eigen ontoereikende menselijkheid, mijn eigen hart in mijn eigen borst, en als je er zo niet meer bent zal ik nog één keer moeten niezen omdat jouw huidschilfers de mijne aanraakten en het lichaam reageert.

Zin nomineren