Nominaties Tzum-prijs 2019

Hieronder staan de nominaties voor de Tzum-prijs 2019 (voor de mooiste zin uit een boek van 2018!). U kunt zelf ook nog tot 15 juli een zin nomineren, zie het formulier onderaan de bladzijde. De voorwaarden zijn:

– De zin moest staan in een oorspronkelijk Nederlandstalig prozawerk dat in boekvorm voor het eerst is gepubliceerd in 2018 (geen eigen beheer-uitgaven).
– Iedereen mag inzenden, iedereen mag meer dan één zin inzenden.
– Inzendingen vermelden met het citaat en bladzijdenummer.
– De deskundige jury (redactie Tzum) voegt zelf ook zinnen toe. Bij meer dan drie genomineerde zinnen uit één boek kan de jury een voorselectie maken.
– Vermeld uw eigen naam en adres. Alleen uw naam wordt genoemd als inzender bij de nominatie.

Onder de inzenders worden drie exemplaren van Een bedroefde God van Jiří Kratochvil verloot.

(Zinnen van redactieleden en/of medewerkers aan Tzum mogen wel worden ingezonden, maar worden uitgesloten voor de eindstrijd.)

Voor de duidelijkheid: nomineren betekent dat u zelf zinnen kunt toevoegen aan de nominaties, niet dat u kunt stemmen op één van de onderstaande nominaties.

De nominaties van de vorige jaren staan in het archief.
Alle winnende zinnen vanaf 2002 zijn hier te lezen.

De nominaties tot nu toe:

Mohammed Benzakour10 op een ezel (genomineerd door Sonne Copijn, blz. 102)
– Dit ‘vierpotig Renaultje’ (een Renault gaat nooit stuk, zegt men) loopt ondanks zijn magere poten hele marathons, zonder klagen of blaren, zonder verzwikte enkels of een lekke band.

H.M. van den BrinkHet ontbijtbuffet (blz. 74)
– In een negentiende-eeuwse vertelling van een bepaald type zou nu een climax volgen, na de langdurige voorbereiding en ook nog eens tamelijk uitvoerige ontknoping waarin eerst alles op scherp wordt gezet en dan uiteenspat met een luide en veelkleurige knal die ons een diep inzicht geeft in de ware aard van de ten tonele gevoerde personages die op dat moment, tijdens die gruwelijke culminatie van alles wat voorafging, meer dan ooit aan verscheurende emoties ten prooi zullen geraken – en ons al doende een blik gunnen in de afgrondelijke diepten van de menselijk ziel in het algemeen, zodat de lezer ten langen leste met een zucht van genot en tevredenheid het boek kan sluiten, voor zichzelf een glas inschenkt of een sigaar opsteekt.

A.H.J. DautzenbergIk bestaat uit twee letters (genomineerd door André Keikes, blz. 323)
– De wijken die we doorkruisten, waren niet alleen verminkt door derderangs architecten die met Europese gelden de fantasieloze legobouwsels uit hun jeugd in de praktijk mochten brengen, maar ook door bewoners die er een halszaak van lijken te maken om hun luidruchtige wansmaak met anderen te delen.

A.H.J. DautzenbergIk bestaat uit twee letters (genomineerd door André Keikes, blz. 394)
– Ethiek is altijd, immer und ewig, ondergeschikt aan economische en politieke motieven, het tautologisch duo dat het leven ordent/gijzelt/faciliteert/versiert/vernietigt – voor elk wat wils.

A.H.J. DautzenbergIk bestaat uit twee letters (genomineerd door André Keikes, blz. 486)
– Ik proefde het zoute huilsnot uit mijn jeugd, de (on)veiligheid van vroeger en even was daar de maagdelijke blik waarmee ik indertijd naar mijn familie keek, naar de wereld, de ontzettend kleine wereld die gigantisch groot leek, en die uiteindelijk zo veel groter was dan ik zou kunnen bevroeden.

Peter DelpeutIn het zwart van de spiegel (genomineerd door André Keikes, blz. 15)
– Stel je voor, je beheerst de truc van de wederopstanding, wie zou dan niet in de verleiding komen alvast een keertje de omstanders te imponeren?

Peter DelpeutIn het zwart van de spiegel (genomineerd door André Keikes, blz. 133)
– Vriendschap wordt getekend door het plezier bij elkaar te zijn, liefde door de angst elkaar te verliezen.

Peter DelpeutIn het zwart van de spiegel (genomineerd door André Keikes, blz. 345)
– De mannen begroetten elkaar zoals ik het van de boeren op de polderweggetjes rondom mijn geboorteplaats kende, de een in de auto, de ander langs de weg, in karige zinnen, feitelijk meer uitroeptekens dan woorden.

Peter DelpeutIn het zwart van de spiegel (genomineerd door André Keikes, blz. 346)
Toen ik er oud genoeg voor was, begreep ik dat ik als de apotheose van een vogeltjesdans was geconcipieerd, iets wat je als kind niet wilt weten, laat staan dat anderen er kennis van hebben.

Peter DelpeutIn het zwart van de spiegel (genomineerd door André Keikes, blz. 383)
– Ik herinnerde me ineens achttiende-eeuwse prenten waarop kwekers op karren volgroeide bomen aanvoeren, de kluit als een scrotum onder de fier vooruitgestoken stam.

Anna EnquistWant de avond (blz. 103)
– Op transcontinentale vluchten is er steevast een jong stel met een blèrende baby.

Rob van EssenDe goede zoon (genomineerd door Derk Walters, blz. 11)
– Het zag er obsceen uit, een ander woord kan ik er zo gauw niet voor verzinnen, behalve ranzig, en mijn moeder zat daar met haar toen nog negenennegentigjarige muizengestalte ook in zo’n knedende, wiegende stoel, en ze keek verdomme alsof ze zachtjes klaarkwam, niet dat ik weet hoe mijn moeder eruitzag als ze klaarkwam, ook dat zou een reden zijn om naar wapens op zoek te gaan, maar ze zat met gesloten ogen en half geopende mond te genieten, misschien zaten er wel uitstulpingen in de zitting van die stoelen die bij allerlei lichaamsopeningen naar binnen konden en ik stond daar met afgrijzen (ja, dat is het woord) bij de ingang van de gemeenschappelijke huiskamer te kijken naar die rij nieuwe stoelen met zwijmelende bejaarden erin en wilde het liefst ter plekke met blindheid worden geslagen.

Rob van EssenDe goede zoon (blz. 13)
– De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet.

Rob van EssenDe goede zoon (genomineerd door Giny Backers, blz. 88)
– Voetgangers, fietsers en automobilisten speelden een eeuwig spel van drukte en doorrijden en oversteken en stoppen en optrekken, over grijs asfalt of bruine steentjes, langs grachtenhuizen of kantoren, onder schreeuwerige felgekleurde reclame of in donkere smalle straten die tussen grauwe woningrijen leken te zijn uitgegraven.

Esther GerritsenDe trooster (blz. 24)
– Je gaat ervan uit dat ieder ander slimmer is en als een ander dat niet blijkt te zijn, dan is het toeval dat je een nog dommer persoon dan jijzelf hebt getroffen.

Esther GerritsenDe trooster (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 31)
– Ook hier ben ik de hond van het gezin, waar iedereen heus wel op gesteld is, je hoort mij niet klagen, maar het is natuurlijk wel de hond en die avond staarden ze vol ontzag naar me want de hond ging spreken.

Esther GerritsenDe trooster (blz. 66)
– Ik dronk mijn thee te heet en liet met opzet mijn brillenglazen beslaan, mezelf blind makend voor de mensen om me heen.

Liesbeth Goedbloed – Broeder Ezel (blz. 7, genomineerd door Corrie Meijer)
– Ze stelde zich voor hoe hij eerst met zijn handen om zich heen geklauwd had, maar op de glibberige slootkant geen houvast kon vinden, hoe zijn voeten uit zijn nieuwe laarzen waren geschoten – zijn groenbruine legerlaarzen die minstens een maat te groot waren, maar die hij per se aan wilde, omdat zijn knalblauwe Jip-en-Janneke-laarsjes zijn aanwezigheid zouden verraden aan de kikkervisjes en de stekelbaarsjes en de snoek, en dat hij dan weer niks zou vangen, dus dat hij zijn grote laarzen aan moest, ook al kon hij er niet goed op lopen – hoe hij daarna helemaal in het water was gegleden en kikkervisjes, stekelbaarsjes en snoek in de donkerste hoekjes waren weggeschoten, geschrokken van die vreemde vis die eerst nog spartelde, maar langzaam rustiger was geworden.

Liesbeth Goedbloed – Broeder Ezel (blz. 110, genomineerd door Corrie Meijer)
– Haar ruggengraat zou knappen als een droge tak, haar handen zouden nog even in de lucht grijpen en een paar seconden later naast haar neersmakken op dat bespatte bed op de bodem van dit dal, waarna het blauw van de hemel, het groen van de bladeren en het zwart van de stammen over haar heen zouden zakken als een decor dat langzaam instort om de toneelspeler.

Liesbeth Goedbloed – Broeder Ezel (blz. 156, genomineerd door Corrie Meijer)
– Pijn was een soort zwaartekracht, het zorgde ervoor dat je aan de grond bleef.

Arnon GrunbergGoede mannen (blz. 15)
– Uiteindelijk was hij bij de brandweer gegaan omdat hij ervan overtuigd was dat brand geblust moest worden, dat je het redden van mensen niet aan God of aan andere mensen moest overlaten. Dat je het zelf moest doen.

Arnon GrunbergGoede mannen (blz. 99)
Hij wilde helemaal alleen zijn jongen van de rails en van de locomotief krabben.

Arnon GrunbergGoede mannen (blz. 234)
– De vrouw ging weg met het kind en de Pool bleef aan tafel ziten, zoals mannen zitten die na enige aarzeling toch tot de conclusie zijn gekomen dat ze geen troost nodig hebben.

Arnon GrunbergGoede mannen (blz. 445)
– Hij wachtte op de namiddag zoals men wacht op een geliefde en in dit geval vielen geliefde en namiddag keurig samen.

Aly FreijeDe vloeivelden in (blz. 14)
– Jaren van armoede, zware arbeid en het gevecht met de schrale grond leidden tot koppigheid, enkel vertrouwen op eigen kracht en een zekere lijdzaamheid.

A.F.Th. van der HeijdenMooi doodliggen (blz. 46)
– De brede trappen waren van marmer, zonder loper, maar de scheuren door vorst en verzakkingbleken keurig afgedicht met het vuil van decennia, dat zich altijd gratis aan de werkster opdrong.

A.F.Th. van der HeijdenMooi doodliggen (blz. 166)
– Je kon een steen door het scherm gooien, maar het verhielp niets: zo werkte televisie nou eenmaal, de glazen bol die zijn eigen toekomstvoorspelling was.

Bregje HofstedeDrift (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 110)
– Je hebt nooit geraden dat ik niets drink zodat ik ’s avonds nooit naar de wc hoef, omdat jij ooit gezegd hebt dat je het een vies idee vond om me te likken nadat ik had geplast.

Bregje HofstedeDrift (blz. 320)
– Ze had net als ik een zwart jurkje met zwarte laarzen aan en droeg concealer op de mee-eters op haar kin, een detail dat me nerveus maakte omdat ik besefte dat opgedirkt voor een vrouw verschijnen zoiets is als proberen een Ikea-kast te verkopen aan een antiquair: je kunt schuren, verven en lakken zoveel je wilt, ze ziet in een oogopslag hoe de constructie in elkaar steekt.

Marc van der HolstDembrandt (genomineerd door Marc van der Holst, blz. 4)
– “De gelukkige gezinnen zijn op precies dezelfde manier ongelukkig als de ongelukkige gezinnen.”

Marc van der HolstDembrandt (genomineerd door Marc van der Holst, blz. 29)
– Een goed glas wijn zou wonderen doen voor deze kamer.

Marc van der HolstDembrandt (genomineerd door Marc van der Holst, blz. 79)
– Roodkapje is in het bezit van alle zeven schoonheden:
– een neus;
– een mond;
– eenlicht snorretje dat alleen zichtbaar is bij de juiste lichtinval;
– benen (twee);
– een rood kapje;
– een moedervlek links/rechts boven haar bovenlip (doorhalen wat niet van toepassing is)

Auke HulstZoeklicht op het gazon (blz. 11)
– Zijn spieren deden pijn, zijn nek was stijf, zijn godverdomde hart een beurs geslagen vuist, en nu hij in een raam zijn weerspiegeling trof, schrok hij van het uitgewoonde gelaat dat naar binnen keek.

Auke HulstZoeklicht op het gazon (blz. 135)
– De wereld zou de deur niet voor hem openhouden, dat wist hij, hij zou de deur met geweld in moeten trappen, en getrapt had hij, twintig uur per dag, met een toewijding die je zelden zag.

Christian JongeneelMagda is overal (genomineerd door Lieke Visser, blz. 63)
– De broers zouden komen en hem alsnog afslachten, ze zouden iemand sturen met een pistool of een mes of een knuppel, ze zouden bombrieven verzenden, ze zouden hem aangeven bij de lange arm van koning Mohammed V, ze zouden hemel en aarde bewegen om hem voor zijn zonden te straffen, en daarom was het voor ieders veiligheid beter als hij een nachtje elders verbleef en later twee nachtjes en steeds meer nachtjes, totdat hij tenslotte helemaal niet meer kwam, behalve af en toe om zijn kinderen op te halen voor uitjes, liefst naar diergaarde Blijdorp, want Hamid hield van dieren, van olifanten, neushoorns en tapirs, van flamingo’s, pinguïns, prairiehonden, ijsberen, ja zelfs van de slangen en varanen, en Magda en Dede hielden ook van de dieren, maar van hun vader hielden ze het meest.

Christian JongeneelMagda is overal (genomineerd door Lieke Visser, blz. 230)
– Een pareltint van mist hing in de haven en de haren van de Chinese.

Christian JongeneelMagda is overal (genomineerd door Lieke Visser, blz. 278)
– Er was de zon, het land, de regen, ziekten die kwamen aanwaaien uit het niets, een enkel wild dier dat zich buiten het woud waagde, armoede maar geen honger, de weg naar Nickerie en wat daarachter school, het lokaal waar de nieuwe juf de kinderen verstandige dingen leerde, de krekels, vleermuizen en muggen in de avonduren, ’s nachts de briluil met zijn pup-pup-pup of boe-boe-boe, er waren jongens en meisjes die elkaar ontmoetten en wat daar dan van kwam, er was een God die vele gedaanten aan kon nemen maar altijd respect verdiende, ook als je zijn verschijning niet herkende, er waren demonen die zich verscholen in nacht en waanzin.

Marie KesselsVeldheer Banner (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 123)
– De zin was een hakken en plakken van lettergrepen, onderbroken door diepe teugen adem.

Koos MeindertsDe schelmenstreken van Reynaert de Vos (genomineerd door Koos Meinderts, blz. 2)
– Terwijl Reinaert de Vos tijdens het monopoly-spelen met zijn kinderen stiekem een briefje van duizend uit de bank jatte en zich te goed deed aan een kipkluifje, verklaarde Koning Nobel in de paleistuin de jaarlijkse Hofdag voor geopend.

Peter MiddendorpJij bent van mij (blz. 10)
-De spreeuwen sliepen in de bomen, de oudere veilig, dicht bij de stam, de jonkies en de zieke op de takken en twijgen aan de buitenkant – zo trokken de sterke een dierlijk schild van zwakte om zich heen, alsof spreeuwen pas door het overleven van de eerste winter het recht verwierven om verder te leven.

Peter MiddendorpJij bent van mij (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 20)
– Mijn ouders konden zich niet herinneren dat iemand in de krant had laten zetten dat wij hier omhoog zaten met onze gastvrijheid.

Peter MiddendorpJij bent van mij (blz. 26)
– Alles wat ik in mijn leven van mijn ouders had verdragen door het dunne wandje tussen de slaapkamers kregen ze nu met rente terug.

Peter MiddendorpJij bent van mij. (blz. 36)
– Een echtgenote geeft seks als een koe melk – een paar seizoenen, vijf, zes, en het beste is er wel vanaf.

Peter MiddendorpJij bent van mij (blz. 230)
– Ze voelde dat haar tijd gekomen was, ze voelde bijna iedere dag wel een of twee keer dat haar tijd gekomen was, bijna elke keer als ze mij hoorde aankomen dacht ze dat het einde was gekomen en dat ik degene was die haar het einde kwam brengen.

Nicolien MizeeDe porseleinkast (genomineerd door André Keikes, blz. 42)
– Eerlijk gezegd zie ik, op een enkeling na, niemand ooit iets anders doen dan idiote problemen verzinnen en vervolgens nog idiotere oplossingen voor die problemen.

Nicolien MizeeDe porseleinkast (genomineerd door André Keikes, blz. 58)
– Ik heb een beetje afgeleerd aan mensen te vertellen waar ik mee bezig ben, omdat het zo vervelend is om steeds weer te moeten vertellen dat het niet doorgaat en de juiste gelaatsuitdrukking te vinden bij hun opbeurende praatjes.

Nicolien MizeeDe porseleinkast (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 79)
– Zo nu en dan vind ik het leuk om het onderwerp van mijn gedachten deelgenoot te maken van mijn gevoelens, analyses en ontdekkingen, maar tot mijn ontsteltenis wordt dat meestal beschouwd als een soort prelude op iets anders – namelijk de gebruikelijke vermoeiende toestand die begint met bloemen en ermee eindigt dat je al je kleren moet uittrekken.

Nicolien MizeeDe porseleinkast (genomineerd door André Keikes, blz. 79)
– Ik heb altijd goede herinneringen bewaard aan een oud, afgebladderd hotel met een veranda aan de rivier, met twee vreselijk oude vrouwtjes die er een half uur over deden om een kopje koffie te zetten en daarmee naar die veranda te bibberen.

Bart MoeyaertTegenwoordig heet iedereen Sorry (genomineerd door Inger Bos, blz. 38)
– In mijn gebruiksaanwijzing staat dat ik soms erg blij ben, maar dat je dat niet altijd aan mij kunt zien.

Bart MoeyaertTegenwoordig heet iedereen Sorry (genomineerd door Inger Bos, blz. 41)
– Tegelijk met de deur die dichtgaat wordt de brede glimlach van mama smaller en smaller en smaller, tot er niks meer van overblijft.

Bart MoeyaertTegenwoordig heet iedereen Sorry (genomineerd door Inger Bos, blz. 56)
– Het is grappig dat Billie lacht, terwijl mama en ik naar elkaar kijken en helemaal niet lachen, er is geen spiertje in ons gezicht dat zegt: zullen we eens glimlachen.

Theo MonkhorstDe zegen van weemoed (genomineerd door H.A. Kogels, blz. 11)
– Na de geboorte groeit het mensenkind langzaam in de strakke vorm van volwassenheid om vervolgens weer te worden afgebroken tot het krakkemikkige model van een bejaarde, vergelijkbaar met een middeleeuws wijkje van een oude stad met zijn kronkelige straatjes, vervallen huizen en bemoste muren.

Theo MonkhorstDe zegen van weemoed (genomineerd door H.A. Kogels, blz. 41)
– Zoals de teruggekeerde zwaluwen, die zich snel vermeerderden en met grote energie het vak van zwaluw beoefenden, trachtten mijn vrienden zich te ontwikkelen en soms zelfs te vermeerderen.

Theo MonkhorstDe zegen van weemoed (genomineerd door H.A. Kogels, blz. 189)
– In de diepe pan, waar alle herinneringen zijn opgeslagen als slierten spaghetti, glijden ze door elkaar en klonteren steeds tot nieuwe recepten, die in de slaap als dromen bovenkomen.

Marente de MoorFoon (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 16)
– Stadsmensen denken dat dit het land van de vergezichten is, dat we hier gelukzalig voor ons uit staren tot het donker wordt, maar dat is niet zo, het zicht zakt eindeloos omlaag, in de nooit opdrogende modder en sneeuw, die je laten bukken.

Marente de MoorFoon (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 92)
– Volgens mij vermageren vrouwen van hun principes, terwijl mannen dik worden van hun gelijk.

Tonnus OosterhoffEen kreet is de ramp niet (genomineerd door André Keikes, blz. 103)
– Een echte fysicus experimenteert honderdmaal liever als onderbetaalde postdoc in een actueel onderzoeksgebied, zelfs als het niet tot wetenschappelijke doorbraken leidt, dan dat hij als leraar jaar na jaar een obligaat ontploffinkje laat zien aan zijn ongeïnteresseerd onderuit hangende klas.

Tonnus OosterhoffEen kreet is de ramp niet (genomineerd door André Keikes, blz. 109)
– Ik lijk op een houtworm die na een verkeerde beweging ruggelings uit het dak van de Oude Kerk in Amsterdam valt: in het vallen ontvouwen de kruisribben zich aan hem tot een lang omgekeerd schip, terwijl hij daarvoor niet wist dat er meer bestond dan het stuk plank waarin hij en zijn voorvaderen zwoegden voor hun dagelijks brood.

Tonnus OosterhoffEen kreet is de ramp niet (genomineerd door André Keikes, blz. 160)
– Het loon voor mijn inspanningen is de streling van de roem, die ik ternauwernood voel, en de te verwachten stimulans op verkopen, die er niet is.

Tonnus OosterhoffEen kreet is de ramp niet (genomineerd door André Keikes, blz. 185)
– Niet alleen zal ik altijd een vreemde blijven ten opzichte van Jeff Koons, Herman Brusselmans, orthodoxe joden en moslims, even onbereikbaar zijn Japanse omgangsvormen, derivatenhandelaren, Evangelicals die hun machinegeweer mee naar de kerk willen nemen omdat het hun constitutionele recht is, motorclubs (ook niet-criminele), de Efteling, heel Noord-Brabant, mensen die worstelen met een slavernijverleden van twee eeuwen her, mensen die fotografen kunstenaars vinden, voormalige kindsoldaten, de Formule-1-autosport…

Marieke Lucas RijneveldDe avond is ongemak (blz. 14)
– Ik liep al een paar dagen op schaatsen door de boerderij, handen op mijn rug en beschermers om de ijzers zodat er niet te veel strepen in de vloerbedekking kwamen, want dan hoefde moeder niet met het platte mondstuk van de stofzuiger mijn verlangen naar de toer uit de vloer te halen

Marieke Lucas RijneveldDe avond is ongemak (blz. 18)
– Hij hield zich anders nooit bezig met de konijnen, hij vond ‘kleinvee’ meer iets voor op een bord en hield alleen van de dieren die zijn hele blikveld in beslag namen met hun aanwezigheid; mijn konijn vulde nog niet eens de helft.

Marieke Lucas RijneveldDe avond is ongemak (blz. 74)
– Bij tongen moet ik altijd denken aan de glibberige, purperrode stoofpeertjes die moeder bereidt met wat kaneel, bessensap, kruidnagel en suiker, en die dan met elkaar in de knoop komen.

Marieke Lucas RijneveldDe avond is ongemak (blz. 157)
– Stiltes die ongemakkelijk zijn, zijn net als mest die maar moeilijk door de roosters geschoven kan worden, je weet niet wat je ermee aan moet.

Jaap RobbenZomervacht (ingezonden door Inger Bos, blz. 173)
– Nu we weer alleen zijn, lijkt het alsof de dood zich verscholen houdt onder zijn bed, achter de deur of tussen de plooien van de gordijnen die je rond elk bed kunt trekken.

Jaap RobbenZomervacht (ingezonden door Inger Bos, blz. 275)
– Meestal is het een vermoeid stroompje, maar wanneer het stroomopwaarts heeft geregend, verandert het in een beek waar je dorst van krijgt.

Ilja Leonard PfeijfferGrand Hotel Europa (blz. 431)
– De organisatie van een congres kost meer tijd dan je denkt, en zelfs als denkt dat het meer tijd kost dan je denkt, kost het nog altijd meer tijd dan je denkt.

Ilja Leonard PfeijfferGrand Hotel Europa (genomineerd door Adri Altink. blz. 535)
– In Europa, waar het enige dat men zeker weet is dat men moet geloven in het denken, waar in de loop van de lange vermoeiende geschiedenis al zoveel definitieve oplossingen zijn uitgeprobeerd dat men van problemen is gaan houden, waar men bij gebrek aan een overtuigende rechtvaardiging voor daadkracht waarde hecht aan stijl, waar zowel het snobisme als de ironie is uitgevonden, waar littekens mooi zijn omdat ze voorzichtig maken, waar in naam van idealen zoveel bloed is gevloeid dat men eisen is gaan stellen aan idealen, waar men sinds het gekwek tweeëneenhalfduizend jaar geleden is begonnen rond de Egeïsche Zee nog altijd geen overeenstemming heeft bereikt over de definities en uitgangspunten voor een zinvolle discussie over het schone en het goede en de waarheid, waar twijfel religie is, waar meer filosofen wonen dan obers om hen te bedienen, en meer dichters dan lezers, waar elk landschap, elk stadsgezicht en de wangen van elke vrouw zijn gerijpt achter craquelé, waar verleden tastbaar is als steen en straten leesbaar zijn als een palimpsest, waar namen echo’s zijn, waar alle wereldrijken van weleer zijn gepasseerd als seizoenen, waar alles vele malen eerder veel beter en mooier is geweest dan nu, en waar het welbeschouwd verdiend zou zijn om uit te rusten van al het werk dat erin is gaan zitten om de annalen van een geschiedenis van millennia zo overdreven gedetailleerd vol te schrijven, daar kan ik ademen en liefhebben.

Gideon SamsonZeb. (blz. 31, genomineerd door Inger Bos)
– Op de vierde woensdag van oktober werd het huilen afgeschaft.

Gideon SamsonZeb. (blz. 39, genomineerd door Inger Bos)
– Ik was drie dagen ziek geweest, dat klopte, maar het leek me simpelweg onmogelijk dat vier in zo’n korte tijd zomaar ineens vijf kon worden.

K. SchippersStraks komt het (blz. 131)
-Weet niet hoe het heet en toch heb ik het op de radio gehoord, en dan lijkt het wel of het de melodie verlaat om iets heel anders te doen en komt het terug, heel even maar, voor iets wat niemand kan voorspellen, kruipt het over je huid, is dat nou jazz?

K. SchippersStraks komt het (blz. 162)
– Schuchter begint hij op de taal te letten die hij om zich heen ziet, als een kind op straat dat bij het hardop voorlezen van een opschrift de lettergrepen van elkaar scheidt, om in de tussenpozen adem te halen.

A.L. SnijdersHet oog van de naald (genomineerd door Ingrid van der Graaf, blz. 55)
– Ik pak Anna Karenina uit mijn boekenkast om te controleren of de beroemde beginregel nog steeds dezelfde is.

A.L. SnijdersHet oog van de naald (genomineerd door Ingrid van der Graaf, blz. 149)
– Eigenlijk was het weer eens tijd aangehouden te worden.

Rob StokerDe lijst (blz. 101)
– Misschien was het genetisch bepaald: als je zelf geen noot van de ander kunt onderscheiden, hoor je ook niet dat je kind vals zingt.

Peter TerrinPatricia (blz. 64)
– Een onbekend mannenlichaam trok me niet aan, ik vond het licht afstotelijk, de geuren en de haren die me niet vertrouwd waren.

P.F. ThoméseIk, J. Kessels (blz. 11)
– Maar J. Kessels leefde nog, op de van hem bekende wijze, en ook ik had bij mijn weten nog niet zo’n afgehakte spaanplaten kist besteld om moederziel alleen het grote donker in te gaan.

P.F. ThoméseIk, J. Kessels (blz. 97)
– Dat grenzeloze gevoel overviel me, staande naast die geparkeerde brommer op de Spoorlaan in Tilburg, terwijl boven ons de sterren, die wij als ver van huis geraakte cowboys zo goed kenden, weg waren gesausd door het vale doordeweekse neon, dat met zijn zwakstroom de nachthemel bleekte als een te vaak gewassen Hema-badlaken.

P.F. ThoméseIk, J. Kessels (blz. 180)
– Terwijl de geknechte onderknuppels van het casinokapitalisme geslagen het station binnensjokten op weg naar hun met koffieautomaten opgeleukte kantoorketenen, liep ik, vrij maar verloren, langs het spoor een heel eind rechtdoor, om er verderop onderdoor te kunnen gaan.

P.F. ThoméseIk, J. Kessels (genomineerd door Thomas de Veen, blz. 180)
– De nieuwe dag lachte mij met zijn laaghangende kutzon recht in mijn gezicht keihard uit.

Rob VerschurenTyfoon (genomineerd door Yolande Belghazi Timman, blz. 53)
– Lang nadat de trein was verdwenen, konden ze hem nog horen loeien als een verre krijgshoorn die ten aanval riep, en daarna, toen alle achterblijvers waren vertrokken en ze alleen op het perron stonden in de bleke lichtplas van een lamp die zwaaide in de wind, als een langzaam uitdovend gejammer op een verlaten slagveld bij het vallen van de nacht.

Rob VerschurenTyfoon (genomineerd door Yolande Belghazi Timman, blz. 70)
– Ze keken hem na terwijl hij wegliep, lichtjes slingerend, maar met een bruuske pas, alsof de lucht in de visserswijk kwalijke dampen bevatte.

Zin nomineren