In Herinneringen aan mijn uitgevers (Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 2008) schrijft L.H. Wiener over een
dummy die ik hier thuis heb staan, met een afgrijselijk smakeloos omslag overigens, maar met duidelijk leesbare titel en auteursnaam: Koningswater, L.H. Wiener, uitgeverij Bert Bakker. Het is een paars omslag met okergele belettering en in een gifgroen kader een geknakte geneverfles met een gouden kroontje op de hals en een hartvormig etiket waarin de vervlochten initialen L.H.W. te ontwaren zijn. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar precies verkeerd. Loodzware ‘losers-symboliek’ en geen spoortje afstand of ironie. Die fles lijkt zelfs nog in de as te staan ook, maar echt goed heb ik daar nooit naar gekeken. In hoeverre de aanblik van die dummy zelf mijn plannen heeft doorkruist, kan ik niet beoordelen, maar hoe dan ook, ik heb dat boek niet afgemaakt en het is dus ook nooit verschenen. Het had een roman moeten worden, maar ik ben geen romanschrijver, daarvoor werk ik te strak en te sober, te compact en te kaal. Ik voelde me gegeneerd dat ik aan iets begonnen was dat ik niet kon waarmaken, temeer omdat de roman Koningswater in de reeds verzonden herfstaanbieding van 1986 wel stond aangekondigd. Bert vatte het echter allemaal nogal laconiek op en verzekerde me dat dergelijke gevallen zich vaker voordeden. Zoiets heette een spookboek in het uitgeversjargon, zei hij. Niets om je druk over te maken.
[pp. 118-119]
lees verder ›
In De Morgen gisteren: ‘poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd. Dat is geen beschuldiging, maar een vaststelling. Poëzie lezen vereist geduld en concentratie – twee bedreigde eigenschappen in onze 3.0-tijden. Volgens Philip Roth zal romans lezen binnen vijfentwintig jaar “cultisch” zijn: alleen kleine groepen mensen zullen de nodige toewijding kunnen opbrengen. Vandaag is poëzie al cultisch; de roman zal volgen. De roman is een 19de-eeuwse uitvinding voor verveelde dames in salons die geen andere bezigheid hadden dan boeken lezen. Sindsdien is ons levensritme ingrijpend veranderd, en de letteren – ook gewoon producten onderhavig aan tijdsgeest en conjunctuur – dragen daarvan de gevolgen.’ Aldus Ann De Craemer in een column in het Vlaamse dagblad.
Het is niet voor het eerst dat ‘de roman’ wordt doodverklaard: in de jaren zestig van de vorige eeuw kondigde Harry Mulisch aan (voorlopig?) geen romans meer te zullen schrijven, omdat ze niet van die tijd waren. In de bibliografie van Mulisch gaapt dan ook een gat van ruim tien jaar tussen de romans Het stenen bruidsbed (1959) en De verteller. Of een idioticon voor zegelbewaarders (1970) – met een beetje goede wil is dat gat te vergroten tot ruim vijftien jaar: De verteller is dermate experimenteel dat het geen roman in de klassieke zin genoemd kan worden; in dat geval gaapt het tot 1975, het jaar dat Twee vrouwen verschijnt.
Zo lang als de literaire vorm ‘de roman’ bestaat, zo lang zijn er schrijvers bezig met het opzoeken van de grenzen van de vorm. Sommige auteurs experimenteerden uit artistieke drang – om er enkele te noemen: Theo van Doesburg, Paul van Ostaijen, Louis Paul Boon, Bert Schierbeek, Sybren Polet, C.C. Krijgelmans, Ivo Michiels, Vaandrager –; anderen uit ideologische (‘ideologiese’) motieven – de bekendsten zijn Jacq Firmin Vogelaar en Lidy van Marissing. lees verder ›
‘De tijd had zich weer gesloten, de wereld was weer in orde.’
Het lezen van een onvoltooid werk van een geliefde schrijver is altijd teleurstellend. Deze teleurstelling heeft ofwel een negatieve ofwel een positieve lading. In het eerste geval krijg je te maken met iets wat niet af is en daardoor niet de moeite van het lezen waard is. In het tweede geval heb je het verlangen verder te lezen waar de auteur (on)gedwongen mee is gestopt. Dit laatste geldt voor de onvoltooide novelle/roman/verhaal van Harry Mulisch De tijd zelf.
Het onvoltooide fragment bestaat uit drie delen, de laatste twee delen – beschrijvingen over Melchior Post en Gustav Veblen beslaan respectievelijk vijf en één pagina. De eerste verhaallijn, verteld in de eerste persoon enkelvoud door Melchior Post, is langer en gaat over het filosofische probleem van de tijd. Als er iemand was in de Nederlandse letteren die een filosofie van de tijd zou kunnen omzetten in fictie dan is het Harry Mulisch, deze onvoltooide publicatie is daarvan het bewijs. De teleurstelling is in dit geval het verlangen naar meer, want wat had ik graag een voltooide roman van een paar honderd pagina’s over dit thema willen lezen van Mulisch’ hand.
lees verder ›
Vrijwel iedereen kent de beroemde regel van Adriaan Roland Holst over Simon Vestdijk: ‘O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!’ Het is het laatste vers van het openingsgedicht uit de door Roland Holst en Vestdijk gezamenlijk geschreven bundel Swordplay – Wordplay, kwatrijnen overweer (1950).
Het is een verschijnsel dat relatief zeldzaam is in de wereld van de schone letteren: het duo-schrijverschap. Waarschijnlijk geïnspireerd door Roland Holst en Vestdijk, begonnen Willem Brakman en Nol Gregoor een soort briefwisseling in (meest) kwatrijnen; de op deze wijze tussen 1952 en 1957 ontstane gedichten werden in 1980 gebundeld onder de titel Op Het Quatrijn. In beide bovengenoemde bundels is elk gedicht ondertekend door de schrijver ervan. De gedichten horen weliswaar bij elkaar, vormen een compositorisch, misschien zelfs organisch geheel, er is geen sprake van versmelting. Die is er wel wanneer twee dichters samen één tekst schrijven. C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar schreven drie door beiden ondertekende gedichten. Maar er is pas echt versmelting bij Jean Pierre Rawie & Driek van Wissen in de Rijmkroniek des Vaderlands – drie delen gezamenlijk geschreven poëzie waarin de dichters de geschiedenis der Nederlanden berijmd presenteren, want: ‘neem nu de doorsnee Nederlander / die vaak aan de voorbije tijd / geen enkele gedachte wijdt, / terwijl wat er vandaag gebeurt / steeds meer door vroeger wordt gekleurd, / want er komt, denk ik, volgens mij / per dag een stuk historie bij.’
lees verder ›
Typoscripten van de eerste twee romans van Harry Mulisch, archibald strohalm (1952) en De diamant (1954), hebben gisteravond op een boekenveiling in Haarlem 21.500 euro opgebracht, exclusief opgeld. Aad Meinderts twitterde zojuist dat zijn Letterkundig Museum voor dat bedrag de nieuwe eigenaar van de vele vellen papier is geworden. Beide typoscripten waren afkomstig van (familieleden van?) een vriendinnetje van de schrijver uit de vijftiger jaren. Manuscripten en typoscripten van Mulisch komen zelden op de markt: de schrijver was zijn eigen archivaris en hield alles in eigen beheer.
Volgens een onderzoek naar het leesgedrag van havisten en vwo-ers door Elsevier blijkt dat De aanslag van Harry Mulisch nog steeds het meest gelezen boek is. Op de website van Elsevier staat dat Komt een vrouw bij de dokter van Kluun ook veel gelezen wordt, maar dat het boek niet door alle docenten goedgekeurd wordt voor de eindlijst. Ook Echte mannen eten geen kaas van Maria Mosterd wordt geregeld verboden.
Wat lezen leerlingen nu- 2011
1 De aanslag, Harry Mulisch
2 De passievrucht, Karel Glastra van Loon
3 Het gouden ei, Tim Krabbé
4 Joe Speedboot, Tommy Wieringa
5 Het diner, Herman Koch/ Komt een vrouw bij de dokter, Kluun
In zijn geboortestad Haarlem komen op 25 mei a.s. verschillende originele stukken van Harry Mulisch onder de hamer. Het gaat om de typoscripten van zijn eerste twee romans archibald strohalm (1952) en De diamant (1954). Van de laatste zijn zelfs verschillende versies overgeleverd, met een groot aantal handgeschreven correcties van Mulisch, bewaard in een stofkleppenmap met het opschrift ‘Diamant’, waar eerst nog ‘Op weg naar de mythe’ stond. Mulisch’ debuutroman archibald strohalm, 227 vellen dik, is overgeleverd in de ‘7e of 8e versie’, zoals het typoscript in the nick of time werd ingeleverd bij de voorzitter van de jury van de Reina Prinsen Geerligsprijs. Het veilinghuis meldt dat beide typoscripten afkomstig zijn van een vriendinnetje van Mulisch uit de vijftiger jaren. De richtprijzen zijn 15000-20000 euro voor archibald strohalm en 7000-9000 euro voor De diamant.
‘Het schrijven van Strohalm, een kataklysme op zichzelf, werd passend afgesloten door een hevig onweer, dat losbarstte toen ik het laatste woord neerschreef: 31 juli 1951, ’s avonds 10 uur, – hetzelfde onweer dat in 1870 woedde boven Rome, toen het Concilie in de Sint Pieter stemde over het dogma der pauselijke onfeilbaarheid. Om 12 uur sloot de inzendingstermijn van de Reina Prinsen Geerligs-prijs, waaraan ik mij voorgenomen had mee te dingen om mijzelf een termijn te stellen. Ik snelde naar Amsterdam, en samen met Jan Blokker, de winnaar van het vorige jaar, stond ik om kwart voor 12 in de stromende regen door donder en bliksem omgeven te schreeuwen voor het grachtenhuis van de jury-secretaris [H.J. Smeding], die reeds te bed lag en in nachtgewaad voor de ramen verscheen, verblekend van schrik voor onze apokalyptische verschijning en het hemelvuur in de gracht en de gedachte aan nóg een manuscript. Gedrieën werden wij het er over eens, dat er geen twijfel aan kon bestaan of ik kreeg de prijs. Tegen zulk een representatie kon niemand op,’ schreef Harry Mulisch in Voer voor psychologen (1961).